Waarom is het zo moeilijk te vergeven?

TWEE JAAR GELEDEN publiceerde de Franse filosoof André Comte-Sponville, tot dan toe een onbekende bij het publiek, Petit traité des grandes vertus, dat nu in vertaling is verschenen onder de titel Kleine verhandeling over de grote deugden....

De plotselinge populariteit die Comte-Sponville ten deel viel, wekt enige verbazing wanneer het thema van zijn boek in aanmerking wordt genomen. Een verhandeling over de deugden lijkt een ietwat belegen onderwerp voor een twintigste-eeuwse bestseller. Barmhartigheid, edelmoedigheid, nederigheid - het zijn woorden die nauwelijks nog worden gebruikt en de deugden waarnaar zij verwijzen, lijken lang geleden al uit de mode te zijn geraakt.

Kleine verhandeling over de grote deugden is echter een boek dat de lezer vroeg of laat meesleept. Waarom is het zo moeilijk iemand iets te vergeven? Is humor een deugd of niet? Waarom zou je er überhaupt naar streven het goede te doen? Comte-Sponville probeert op dit soort vragen antwoorden te vinden, maar laat vooral zien hoe daarover kan worden nagedacht.

In navolging van de zeventiende-eeuwse filosoof Spinoza, die van mening was dat het beter is de deugden te onderwijzen dan de ondeugden te veroordelen, koos hij ervoor de nadruk te leggen op de deugden. Achttien deugden passeren de revue, te beginnen met de beleefdheid, die eigenlijk nog geen deugd is, en eindigend met de liefde, die al geen deugd meer is.

De beleefdheid is nog geen deugd, zij doet alsof zij deugdzaam is. Beleefdheid betekent de dingen doen die horen, deugdzaam zijn betekent de dingen doen die moeten. De oppervlakkigheid van de beleefdheid maakt plaats voor de echtheid van de deugd wanneer zij verinnerlijkt wordt, wanneer de beleefdheid niet alleen uiterlijk vertoon is, maar ook met hart en ziel wordt beleden. Ouders leren hun kinderen daarom in de eerste plaats beleefd te zijn, in de verwachting dat de werkelijke deugden zich te zijner tijd daaruit zullen ontwikkelen.

Ten aanzien van de liefde hanteert Comte-Sponville een driedeling, waarmee hij de belangrijkste ideeën over de liefde hoopt te integreren in één model. Als eerste en laagste vorm van liefde ziet hij de liefde uit gebrek of begeerte. In psychoanalytische theorieën speelt deze vorm van liefde een belangrijke rol. Daarop gaat hij zijdelings in.

Zijn uitgangspunt is de klassieke tekst van Plato over de liefde, het Symposium. Hij vult Plato's opvatting aan met de ideeën van zijn leerling, Aristoteles, die van mening was dat de liefde niet zozeer draait om hartstochtelijke begeerte als wel om vriendschap.

Naastenliefde ten slotte bestempelt hij als de volmaakte en hoogste vorm van liefde. Alleen zij die deze zeldzame vorm van liefde kennen, hebben het niet langer nodig deugdzaam te zijn, want uit de echte naastenliefde komen alle deugden voort.

Hoewel Comte-Sponville benadrukt dat wij slechts beperkt lief kunnen hebben, plaatst hij opvallend genoeg de liefde van ouders voor hun kinderen op een voetstuk. 'Ouders hoeven kinderen geen vergiffenis te schenken: bij hen neemt liefde de plaats van barmhartigheid in. Het is aan de kinderen de ouders te vergeven, indien ze dat kunnen of wanneer ze dat zullen kunnen.'

In het bijzonder moeders is het gegeven zuivere liefde te voelen, meent hij. 'Moeders bezitten ten opzichte van hun kinderen de meeste deugden die wij (en zij) doorgaans missen, of liever gezegd de liefde neemt bij hen bijna altijd de plaats in van die deugden, bevrijdt ervan.' Hij verduidelijkt zijn standpunt nog eens met een retorische vraag: 'Voor welke moeder gaat het belang van haar kind niet boven haar eigen belang?'

Wanneer kinderen ouders hun egoïsme, hun domheid of zelfs hun gebrek aan liefde (waarmee hij zichzelf lijkt tegen te spreken) dienen te vergeven, geldt andersom dat ouders hun kinderen zouden moeten vergeven dat ze anders zijn dan ze hadden gewild of verwacht. Zowel vaders als moeders schieten in dat opzicht bijna altijd tekort tegenover hun kinderen en helaas prevaleert in veel gevallen, of ze dat nu willen of niet, het eigenbelang boven dat van het nageslacht.

De allesoverheersende rol die de liefde in zijn betoog speelt, komt niet voort uit een religieuze levensovertuiging, benadrukt Comte-Sponville herhaaldelijk. Integendeel, de deugd van nederigheid zet er eerder toe aan atheïstisch te worden. Hij zal zelf nooit in een kerk knielen, 'omdat ik me zou moeten voorstellen dat een God mij heeft geschapen - en van die pretentie heb ik in ieder geval geen last meer'.

Niettemin hebben Christus en Boeddha hem geïnspireerd en is de naastenliefde waarover hij spreekt, de christelijke naastenliefde. Zijn verheugde constatering dat van de bekende drie deugden - geloof, hoop en liefde - de laatste de grootste wordt genoemd en de enige die na de Dag des Oordeels nog betekenis zal hebben, is niet overtuigend. Een atheïst die zich beroept op het evangelie, doet merkwaardig aan.

Hester Eymers

André Comte-Sponville: Kleine verhandeling over de grote deugden.

Vertaald uit het Frans vertaald door Frans de Haan en Marianne Kaas.

Atlas; 372 pagina's; ¿ 49,90.

ISBN 90 254 2231 4.

Meer over