Waarom huilen we om Anna Karenina?

Non-fictie De veelgelezen romancier Umberto Eco is ook een gevierd wetenschapper, die maar al te graag uitlegt hoe hij te werk gaat.

De zonde der onverzadigbaarheid is Umberto Eco (1932) niet vreemd. Aanwijsbaar in zijn romans, die aan elkaar hangen van spiegeleffecten, onbetrouwbare perspectieven en intertekstuele grollen; in zijn essays die de welwillende leek bijkans ombrengen door een stortvloed van spitsvondige verwijzingen en geleerde voetnoten; in zijn spectaculaire koopgedrag in antiquariaten.

Nog gezwegen van Eco's legendarische eetgedrag. De romancier en professor in de semiotiek uit Bologna heeft menig restaurant ver vóór sluitingstijd moeten verlaten, aan beide zijden ondersteund door een vertaler of discipel, omdat hij zich een indigestie had gegeten. Is zijn interesse eenmaal gewekt, dan kent hij geen reserves meer. Van een exquise antiquariaatscatalogus bestelt hij alles, en dat gebeurt eveneens wanneer hem een uitzonderlijke menukaart onder de neus komt. Bepaalde restaurants heeft hij wel eens in bewusteloze toestand verlaten, om te ontwaken in een ziekenhuis met een weer leeggepompte maag.

Aan deze bijna mythische anekdotiek moest ik denken toen ik Confessions of a Young Novelist las, de neerslag van de vier Richard Ellmann Lectures in Modern Literature die Eco in 2008 heeft gegeven aan de Harvard University in Cambridge (Massachusetts). Vier stuks maar, de onderwerpen zijn te overzien, de lengte is ook te doen - en toch heb je het gevoel te worden overspoeld door een spraakwaterval, en door een man die er niet aan twijfelt dat hij eindeloos onderhoudend is.

Daar valt iets op af te dingen. De overkoepelende titel is al van een moeilijk te verdragen nederigheid. Wie ben ik om iets over de kunst van het romanschrijven te zeggen, begint Eco, want ik heb in dertig jaar nog maar vijf romans geschreven. Een beginneling. Wat Eco zeker niet bedoelt, maar wat de lezer stilaan begint te denken: het is nog wáár ook. En dan niet alleen omdat er inderdaad flink wat tijd is verstreken tussen De naam van de roos (1980) en De begraafplaats van Praag (2010). In al deze vier lezingen beluister je de gretige wetenschapper die het schrijven van romans vooral als een vernuftig spel beschouwt.

De lezingen zijn handleidingen, instructies bij bouwpakketten. Voor het ingenieuze misdaadverhaal De naam van de roos hoefde ik maar twee jaar schrijftijd uit te trekken, want ik zat al goed in de Middeleeuwen, zegt Eco. Om de nachtelijke wandeling door Parijs van Casaubon in De slinger van Foucault (1988) te kunnen beschrijven, 'van het Conservatorium tot de Place des Vosges en dan naar de Eiffeltoren, heb ik een aantal nachten tussen twee en drie uur in de ochtend door de stad gezworven, terwijl ik op een zak-taperecorder insprak wat ik onderweg allemaal zag, zodat ik niet de straatnamen en kruispunten verkeerd had'. Een kwestie van hard werken en weinig inspiratie.

Dat een lezer van De slinger van Foucault die nachtelijke wandeling desgewenst kan nalopen, bewijst nog niets over de kwaliteiten van de roman. Wel zegt dit veel over Eco: een zo erudiet verteller die zijn lezers behandelt als leerlingen, die hij con gusto van alles uitlegt. Maar een in de letteren liefhebberende academicus is geen romancier.

'Met veel plezier heb ik een prachtig boek gelezen van Robert F. Fleissner, A Rose by Another Name: A Survey of Literary Flora from Shakespeare to Eco, en ik hoop dat Shakespeare er trots op zou zijn geweest om zijn naam in verband gebracht te zien met de mijne.' In Nederland hebben we ook ijdeltuiten, meer dan één helaas, maar in dit horrorgenre is de pontificale zelfpijperij van Eco een klasse apart.

Hij kan op een weldadige manier verklaren waarom niet alle interpretaties van een tekst in dezelfde mate geldig zijn, of waarom een tekst een betekenis kan dragen die een auteur zelf niet heeft voorzien, maar altijd blijft hij de puzzelaar die nooit dicht bij de kunst van het schrijven komt. In De slinger van Foucault heet het personage Casaubon naar de 17e eeuwer Isaac Casaubon. In Middlemarch (1871-72) van George Eliot komt ook een personage voor met die naam, maar om te vermijden dat de lezer een verband zou leggen laste Eco zelfs de volgende passage in: 'Trouwens, hoe heet u?' 'Casaubon.' 'Casaubon. Was dat niet een personage in Middlemarch?' 'Weet ik niet. Er was ook een filoloog in de Renaissance met die naam, maar we zijn geen familie.' Maar toen was er die lezer die had uitgevonden dat de Casaubon bij George Eliot een boek schreef dat Key to all Mythologies heet. Dat wist Eco niet. Komt achteraf wel mooi uit. In dat geval heeft de lezer gelijk. Aardig om te weten, al worden we er geen steek wijzer van.

Dat bezwaar geldt niet voor de derde lezing. In dit hoogtepunt van de serie behandelt Eco de vraag hoe het kan dat we ons emotioneel betrokken voelen bij personages, en kunnen wenen om de zelfmoord van Anna Karenina. Hoewel we weten dat ze nooit heeft bestaan, kunnen we volhouden dat ze dood is - wat we alleen geneigd zijn te zeggen over mensen die eerst hebben geleefd.

Het antwoord waar Eco op uitkomt is zo mooi, en het onthult iets zo wezenlijks over onze behoefte aan identificatie met personages met wie wij ons leven doorbrengen (Roodkapje, Don Quichot, Emma Bovary, Oedipous, Alice etc.), dat het flauw zou zijn het hier samen te vatten. Ook omdat Eco zich hier een volleerd essayist betoont: stap voor stap maakt hij een ogenschijnlijk eenvoudige kwestie tot een intrigerende, en voert ons dan naar een climax die je doet buigen voor zo veel lenige redeneerkunde.

Het slothoofdstuk, waarin hij alle mogelijke rijtjes en lijstjes uit de wereldliteratuur opsomt (Borges, Homerus, Proust, Joyce), die een suggestie van oneindigheid geven, is overdonderend in de geeuwverwekkende zin. Daar zie ik Eco voor me die zichzelf onvermoeibaar verbijstert met nóg een beroemd lijstje, en die niet eens in de gaten heeft dat de college-zaal vlak voor zijn neus massaal is leeggelopen.

Umberto Eco: Confessions of a Young Novelist. ***

Harvard University Press; 231 pagina's; € 16,99.

ISBN 978 0 674 05869 9.

De Nederlandse vertaling verschijnt komend najaar bij Bert Bakker.

undefined

Meer over