Reportage

Waarom het maar niet lukt basisscholen diverser te maken

Nederlandse taalles in groep 8 van de Talmaschool in Rotterdam.
 Beeld Rebecca Fertinel
Nederlandse taalles in groep 8 van de Talmaschool in Rotterdam.Beeld Rebecca Fertinel

Basisscholen in heel Nederland zijn sterk gesegregeerd, blijkt uit nieuw onderzoek van Erasmus School of Economics, terwijl niemand dat wil. Waarom lukt het maar niet om te mengen?

Fleur Damen en Serena Frijters

Nee, de basisschool om de hoek was geen optie, zegt Dennis de Waard (51) beslist, voor de statige poort van de Kralingsche School waar hij staat te wachten op zijn twee dochters.

‘Die is te zwart, dat slaat door’, verklaart De Waard, terwijl zijn jonge herdershond enthousiast tegen hem op springt.

Op het schoolplein van die basisschool om de hoek, de Bavokring, zit een Marokkaans-Nederlandse vrouw (50) op een bankje naar haar voetballende zoon te kijken. ‘Toen ik bij de Kralingsche School langsging om voor mijn oudste dochter te kijken, keken die mensen me aan van: wat komt zíj hier doen?’, zegt ze. Ze wijst veelbetekenend naar haar donkerblauwe hoofddoek. ‘De Kralingsche School, dat zijn rijke mensen die je scheef aankijken.’

Ze lijken in weinig op elkaar, maar over twee dingen zijn deze Rotterdamse ouders het eens: ze zouden hun kinderen onder geen beding op de school van de ander aanmelden, én beiden vinden dat de scholen gemengder zouden moeten zijn. ‘Deze school is te wit’, zegt De Waard, wiens dochters een Chinese moeder hebben. ‘Ik vind dat het in balans moet zijn.’

‘Ik zie hier geen blonde koppies’, constateert de moeder op het schoolplein van de Bavokring, die vanwege de privacy van haar kinderen niet herkenbaar in de krant wil. ‘En ik ken op deze school maar één hoogopgeleid iemand, een arts’, zegt de moeder, die zelf een uitkering heeft.

Groep 8 onder de loep

De observaties van de Kralingsche ouders zijn nu onderbouwd met harde cijfers. Nederlandse basisschoolkinderen hebben opvallend weinig klasgenoten uit andere sociale milieus, blijkt uit nieuw onderzoek van Erasmus School of Economics in Rotterdam, uitgevoerd door Bastian Ravesteijn en Coen van de Kraats. De economen brachten voor het eerst gedetailleerd de klassensamenstelling van groep 8 in Nederland in kaart.

De onderzoekers analyseerden het ouderlijk inkomen en de komaf van ruim 350 duizend leerlingen uit groep 8 en bekeken welke eindtoetsscores ze haalden. De resultaten maakten ze per buurt inzichtelijk op de interactieve website KansenKaart.nl.

Dat de segregatie op scholen in Nederland stevig is, wisten Ravesteijn en zijn mede-onderzoekers vantevoren. Dat die sterker is dan de segregatie in Nederlandse woonwijken, wisten ze ook. Maar de enorme verschillen tussen de klassensamenstelling van basisschoolleerlingen, vooral op het gebied van inkomen, hebben de onderzoekers toch verrast.

Veel Nederlandse basisschoolkinderen komen nooit thuis bij klasgenoten van wie de ouders een minimuminkomen hebben, blijkt uit de cijfers. Andersom hebben kinderen van weinig verdienende ouders vrijwel geen klasgenoten met ouders die veel verdienen. In grote steden is de segregatie naar inkomen het sterkst, maar in gemeenten als Meppel en Roermond tekent zich een vergelijkbaar beeld af.

Op volkskrant.nl/schoolklas ziet u hoe de ouderinkomens verdeeld zijn in uw eigen wijk en kunt u meer lezen over het onderzoek.

Ook op cultureel gebied is groep 8 in Nederland sterk gesegregeerd. Kinderen van Marokkaanse afkomst – minstens een van hun ouders is daar geboren – hebben gemiddeld elf klasgenootjes van wie beide ouders in het buitenland zijn geboren. Leerlingen in groep 8 van wie ouders geen migratieachtergrond hebben, komen amper klasgenoten tegen van wie beide ouders in het buitenland zijn geboren: gemiddeld maar één of twee. Het is niet te verklaren door een inkomensverschil, want ook Marokkaans-Nederlandse kinderen met ouders die veel verdienen zitten veel vaker in de klas met kinderen met ouders die beiden buiten Nederland zijn geboren.

De discussie over segregatie gaat vaak over het voortgezet onderwijs, zegt Ravesteijn, ‘maar deze cijfers laten zien dat de verschillen wijdverbreid zijn en al op jonge leeftijd ontstaan’.

Segregatie in het onderwijs is per definitie onwenselijk, zeggen overheid en instanties in koor. Het kan de kansenongelijkheid vergroten, omdat leerkrachten scholen met een ‘meer uitdagende leerlingenpopulatie’ mijden en daardoor het lerarentekort nijpender voelen, waarschuwt de Onderwijsinspectie. Een school moet een ‘ontmoetingsplek zijn voor kinderen uit verschillende milieus’, schrijft de Rijksoverheid, ‘die van elkaar kunnen leren.’

Ook de ouders op de vier Rotterdamse basisscholen die de Volkskrant bezocht, zien hun kinderen het liefst naar school gaan met kinderen uit andere milieus, zeggen ze eensgezind. Maar als iedereen het wil, waarom lukt het dan toch niet om scholen te mengen?

Pauze op de Arentschool.  Beeld Rebecca Fertinel
Pauze op de Arentschool.Beeld Rebecca Fertinel

Mechanisme achter segregatie

‘Ouders vroegen echt aan de directie: spreken de leerkrachten hier wel Nederlands? Hebben ze allemaal wel een hbo-opleiding gedaan?’ De verbazing is nog hoorbaar in de stem van Kristel van Dalsum (37), directeur van de Bavokring in Kralingen, als ze vertelt over de houding van sommige hoogopgeleide, witte ouders die enkele jaren geleden overwogen hun kinderen aan te melden.

De Bavokring is een katholieke school met zo’n 270 leerlingen van veelal niet-westerse afkomst. In de door sociale huurwoningen gedomineerde straten rondom de school verdient meer dan de helft van de ouders relatief weinig. Slechts eenvijfde verdient ver bovengemiddeld. Onder Van Dalsums voorganger probeerde de Bavokring te voorkomen dat die ouders de wijk uit fietsten naar een school met rijkere ouders. Maar makkelijk is dat niet, concludeert de directeur. ‘Ouders zoeken herkenning’, denkt ze.

Onderzoek bevestigt haar vermoeden: zowel hoog- als laagopgeleide ouders hebben een voorkeur voor scholen met een populatie waarin ze zichzelf herkennen. Maar het zijn vooral ‘de academisch geschoolde ouders die zich afscheiden door te kiezen voor scholen waar alleen leerlingen met een vergelijkbare achtergrond op zitten’, schrijft de Onderwijsinspectie. De collectieve uitkomst van deze individuele keuzes: ‘bubbels van gelijkgestemden’, vergelijkbaar met de verzuilde basisscholen in de naoorlogse tijd.

Om die bubbels door te prikken, gooien basisscholen met ouders met lagere inkomens veel in de strijd om leerlingen uit andere groepen te trekken. De nadruk ligt daarbij vaak op kleur en afkomst, hoewel segregatie langs economische lijnen inmiddels groter is dan segregatie op basis van etniciteit. De leerkrachten van de Bavokring stonden in de vakantie op de kerstmarkt, er werden extra open dagen georganiseerd, en ouders konden tijdens inloopavonden in gesprek met het schoolpersoneel. Dat was nodig, vertelt Van Dalsum, omdat Nederlandse ouders zonder migratieachtergrond veel aannames hebben over de onderwijskwaliteit op scholen met veel kinderen van niet-westerse afkomst.

Het initiatief had succes: in 2014 stroomden tegelijkertijd 15 kinderen in die anders naar een school met een rijkere populatie waren gegaan. De nieuwe ouders stelden wel een voorwaarde: de Bavokring moest proberen een fiftyfifty-verdeling te verwezenlijken. Het moest het begin zijn van een gestage transformatie naar een gemengde school, zoals de overheid die al jarenlang graag ziet.

Niemand kan verandering afdwingen

De maatschappelijke discussie over segregatie in het onderwijs dateert uit de jaren negentig. Tien jaar geleden kregen twaalf gemeenten geld om te onderzoeken wat werkt tegen onderwijssegregatie, maar sinds de afronding van de pilots bleef het stil uit Den Haag. Tot eind 2020, toen het vorige kabinet besloot dat de ‘scheidslijnen tussen groepen in de samenleving’ moesten worden verkleind. Toenmalig minister van Onderwijs Slob (ChristenUnie) presenteerde de Beleidsagenda tegen segregatie in het onderwijs.

De sobere voorlopige opbrengst: een pilot om informatievoorziening over schoolkeuze aan ouders met lage inkomens te verbeteren. Wettelijk moet er meer gebeuren: gemeenten zijn sinds 2006 verplicht afspraken te maken met schoolbesturen over het voorkomen van segregatie, maar slechts 59 procent van de gemeenten doet dat. Gemeenten die wel vergaand ingrijpen, stuiten op de grenzen van de wet. Kinderen weigeren als scholen cultureel te eenzijdig worden, bijvoorbeeld, is een schending van het discriminatieverbod, bepaalde de rechter begin deze eeuw.

Vaker dan op dat verbod lopen gemeenten stuk op de grote mate van vrijheid voor ouders en scholen. Ouders genieten vrije schoolkeuze en scholen kunnen de samenstelling van hun klassen beïnvloeden. Zo kunnen ze kinderen uit een beperkt aantal postcodes toelaten of wachtlijsten hanteren.

Sinds een paar jaar proberen enkele grote gemeenten de schoolkeuze te sturen door het invoeren van een centrale inschrijving, zodat kinderen uit de directe omgeving van de school voorrang krijgen. Maar zelfs dat beleid kunnen gemeenten niet afdwingen. Veel gemeenten, zoals Rotterdam, stellen geen regels.

Segregatie op de basisschool is, kortom, een ‘perfect voorbeeld van het Nederlandse poldermodel’, zegt Guido Walraven, coördinator van het Kenniscentrum Gemengde Scholen. ‘Niemand heeft doorzettingsmacht’, verzucht hij. En dus moet het bestrijden van segregatie komen van scholen en ouders zelf.

Drempels die rijke scholen opwerpen

Wat scholen die segregatie te lijf willen gaan vooral moeten vermijden, zeggen experts, zijn een hoge vrijwillige ouderbijdrage, een streng postcodebeleid en een lotingssysteem voor de overgebleven plekken. ‘Check, check, check!’, zegt directeur Celine van Groesen, directeur van de Kralingsche School. Ze lacht zelfbewust. ‘Die hebben we alle drie.’

In de lommerrijke straten rondom het schoolgebouw van de Kralingsche School is 90 procent van de ouders in Nederland geboren en hoort ruim tweederde van de gezinnen met schoolgaande kinderen tot het kwart meest verdiendende ouders in Nederland. Leerlingen in groep 8 hebben nauwelijks klasgenoten uit gezinnen met een laag inkomen: minder dan 15 procent.

De ouders die woensdagmiddag wachten op hun kinderen waarderen het ‘ons-kent-onsgevoel’ van een kleine school in de grote stad; per jaarlaag heeft de school maar één klas. De school vraagt een vrijwillige ouderbijdrage van 690 euro per kind per jaar. Op de Bavokring, op vijf minuten lopen, werd de bijdrage vanwege de coronacrisis verlaagd van 50 naar 35 euro.

‘Ik snap dat de hoge bijdrage een drempel opwerpt’, zegt directeur Van Groesen. Maar zonder de ouderbijdrage, benadrukt ze, kan haar basisschool niet de ‘extra uitdaging aan de bovenkant’ bieden die de leerlingen nodig hebben, zoals lessen Engels voor de kinderen van expats die de taal al op hoog niveau beheersen. Die lessen schrappen zou betekenen dat ze haar leerlingen onderwijs geeft dat niet aansluit bij hun niveau. En daar kan de Onderwijsinspectie de school op aanspreken.

Vol vrees beziet ze het plan van de Tweede Kamer om een landelijk maximum aan de ouderbijdrage te stellen. Het ministerie bekijkt momenteel hoe hoog die limiet zou moeten worden. Geld om het gat dat dan valt te dichten, heeft Van Groesen. Vanwege de ouderpopulatie ontvangt haar school geen middelen om achterstanden weg te werken: subsidie voor scholen met veel kinderen met een risico op leerachterstanden, bijvoorbeeld omdat hun ouders laag opgeleid zijn of schulden hebben. ‘Sorry, maar dat vind ik oprecht discriminatie’, zegt Van Groesen. ‘De toekenning van middelen moet niet afhankelijk zijn van de situatie van ouders.’

Als het aan Van Groesen zou liggen, zegt ze gedecideerd, dan zou het postcodebeleid, waardoor haar school alleen kinderen uit de omringende straten toelaat, ter discussie gesteld moeten worden. ‘Onze leerlingen staan straks op achterstand op de arbeidsmarkt als ze maar één soort mens kennen’, betoogt ze vurig.

Maar het ligt niet aan Van Groesen. De Kralingsche School wordt van oudsher bestuurd door ouders, en het is nog maar de vraag hoe zij de wens van Van Groesen invulling zullen geven. De vriendschapsband die de school een paar jaar geleden sloot met een school uit een andere wijk, bedoeld om leerlingen in te laten zien hoe andere Rotterdamse kinderen leven, hield niet lang stand. ‘Dan zeggen sommige ouders: ja, dat kunnen ze ook leren uit boekjes’, vertelt Van Groesen.

Initiatieven van ouders

Wat volgens de Rijksoverheid wél helpt om scholen gemengder te maken, is een ouderinitiatief. Daarbij schrijft een groep ouders hun kinderen tegelijkertijd in op een school die ze in hun eentje nooit zouden kiezen. In deelgebied Crooswijk-Kralingen begonnen, naast de Bavokring, ook de Talmaschool en de Arentschool met het werven van groepen hoogopgeleide ouders, veelal van Nederlandse afkomst.

‘Als ouders hier voorheen op bezoek kwamen, zeiden ze: het is een gave school met een prima verhaal’, vertelt Monique Degeling, directeur van de Talmaschool in Crooswijk. Maar er was een drempel: de klassensamenstelling, die witte ouders afschrikte. ‘Ze waren bijvoorbeeld blij als ze een blond jongetje in de klas zagen zitten’, vertelt Degeling. ‘Maar ze wisten dan niet dat het een Pools jongetje was'.

Ouderinitiatieven moeten de vrees van hoofdzakelijk hoogopgeleide, witte ouders dat de leerprestaties van hun kind in een klas vol kinderen uit van ouders met een laag opleidingsniveau en een migratie-achtergrond achterblijven, wegnemen. Het ouderinitiatief op de Talmaschool begon in 2016. ‘Kennissen zochten een school uit met een hoge ouderbijdrage waar vooral hoogopgeleide, witte ouders zaten’, vertelt vader Mark van Waas (39). Dat wilde hij niet. ‘Het is juist leuk om met kids vanuit allerlei lagen van de bevolking naar school te gaan’, verklaart hij zijn keuze voor de Talmaschool. Maar het moet wel een goede mix zijn, vindt de vader van Sepp (7) en Foss (5). ‘Een andere school in de buurt heeft overwegend kindjes van laagopgeleide ouders, dat wilden we ook weer niet’.

Mark van Waas (39) koos voor zijn zoons Sepp (7) en Foss (5) een gemixte school.

 Beeld Rebecca Fertinel
Mark van Waas (39) koos voor zijn zoons Sepp (7) en Foss (5) een gemixte school.Beeld Rebecca Fertinel

De bevindingen van de Erasmus-onderzoekers lijken de ouders die rekening houden met de klassensamenstelling gelijk te geven. Kinderen van ouders met een hoog inkomen scoren slechter op de eindtoets als ze veel klasgenoten hebben met ouders met een laag inkomen. Kinderen waarvan de ouders een laag inkomen hebben, scoren gemiddeld juist hoger voor taalverzorging en rekenen wanneer ze in de klas zitten bij kinderen van ouders met een hoog inkomen.

Maar, benadrukken de onderzoekers, dat betekent niet dat schoolresultaten het gevolg zijn van de klassensamenstelling. ‘We moeten oppassen voor die interpretatie’, zegt Ravesteijn. ‘Ons onderzoek toont niet aan dat rijke kinderen arme kinderen omhoog trekken en andersom.’

Het peer effect, het effect dat medeleerlingen hebben op prestaties, is een ongrijpbaar fenomeen, beaamt hoogleraar Eddie Denessen (Universiteit Leiden), gespecialiseerd in segregatie in het onderwijs en niet betrokken bij het Erasmus-onderzoek. ‘Er zijn allerlei verklaringen voor de prestaties van leerlingen, waaronder de sfeer in een klas’, zegt Denessen. Keurt de groep uitsloven af, dan kan een sterke leerling onderpresteren. Krijgen studiebolletjes meer aanzien, dan kan een zwakke leerling hoger scoren.

Ook de kwaliteit van de leerkrachten kan van invloed zijn op de schoolprestaties. Toenmalig minister Slob constateerde vorig jaar dat het lerarentekort en de corona-achterstanden het meest nijpend zijn op scholen met een uitdagende leerlingenpopulatie. Hij voerde een tijdelijke bonus in voor onderwijspersoneel op die scholen.

Op scholen die een ouderinitiatief beginnen, worden de niveauverschillen tussen kinderen uit verschillende milieus overduidelijk, vertellen de leerkrachten in de personeelskamer van de Talmaschool. ‘De nieuwe leerlingen presteren beter wat betreft taalvaardigheid’, zegt Loura van Rappard (47), leerkracht in groep 7. Dus werden de lessen op de Talmaschool sinds de toestroom van de nieuwe groep aangepast, zodat ieder kind aan zijn trekken komt.

En sinds de Talmaschool een betrokken groep hoogopgeleide en vermogende ouders heeft, komen in de directiekamer vaker ouders langs met plannen, ideeën, en verwachtingen. ‘Volgens mij vindt de school dat ook wel spannend’, zegt vader Van Waas.

Beysun Aydin (47) met haar zoontje Toprak (5). Ze is vrijwilliger in de schoolbibliotheek van de Talmaschool in Rotterdam. Beeld Rebecca Fertinel
Beysun Aydin (47) met haar zoontje Toprak (5). Ze is vrijwilliger in de schoolbibliotheek van de Talmaschool in Rotterdam.Beeld Rebecca Fertinel

Frictie tussen ouders

Inderdaad, bevestigen de directeuren van de drie scholen in Crooswijk-Kralingen die ouderinitiatieven begonnen: het aantrekken van een groep hoogopgeleide, veelal witte ouders leidt tot frictie met de langer zittende ouders. ‘Ik heb ouders die hier al langer rondliepen letterlijk mijn kantoor ingetrokken’, vertelt Ellen van der Hout van de Arentschool, waar ruim 15 jaar geleden werd begonnen met mengen. ‘Dan vroeg ik: ik zie dat jullie boos zijn, waarom?’ Wat bleek: de piano die de nieuwe ouders hadden geregeld, was een doorn in het oog. ‘Was het zonder piano niet goed genoeg dan?’, zeiden de andere ouders’, vertelt Van der Hout.

De nieuwe ouders bedoelen het niet verkeerd, maar hun plotselinge aanwezigheid kan een gevoel van minderwaardigheid losmaken bij de zittende groep. Van der Hout vindt het ongemakkelijk om te zeggen, maar de nieuwe ouders zitten als eerste aan haar bureau bij ‘alles wat over beleid gaat’.

En dat merken zittende ouders op scholen die snel veranderen, zoals Beysun Aydin (47), drie dagen per week vrijwilliger in de bibliotheek van de Talmaschool. ‘In het begin hebben wij wel een paar keer gedacht: o, wat komen zij dan doen?’, vertelt de Turks-Nederlandse moeder van Toprak (5), terwijl ze boeken uitleent aan groep 6, de eerste gemengde groep op de Talmaschool. ‘Gaan hun hoogbegaafde kinderen dan voorgetrokken worden?’ Nee, constateerde ze even later opgelucht.

Een ouderinitiatief vraagt om het bijeenbrengen van gescheiden leefwerelden, concluderen de drie directeuren. Dus moet de deur naar de directiekamer altijd openstaan, moeten er óók alcoholvrije borrels worden georganiseerd, en moet het ouderinitiatief zelf gemengd zijn. ‘Niet vier Nederlandse ouders die zeggen dat het beter is dat er meer Nederlandse kinderen komen’, zegt Van der Hout.

Maar zelfs dan kan een poging tot mengen stuklopen, weet Kristel van Dalsum van de Bavokring. Van de eerste lichting van vijftien kinderen van hogeropgeleide ouders die zich aanmeldden, zijn er inmiddels nog vier over. De rest vertrok toen een plekje vrijkwam bij een school met een rijkere ouderpopulatie.

Van Dalsum besloot, samen met de overgebleven ouders, niet te blijven leuren om ‘witte ouders’ binnen te halen. ‘Zij erkennen het belang van diversiteit wel, maar voelen vaak geen meerwaarde voor zichzelf’, concludeert ze. Haar school richt zich nu op ‘goed onderwijs voor kinderen van ouders die écht onderdeel willen zijn van de diverse, Rotterdamse samenleving’.

Van der Hout en Degeling hebben er inmiddels vertrouwen in dat hun scholen niet opnieuw massaal voorbijgefietst worden. Maar, zeggen ze, daarin speelden hun inspanningen uiteindelijk een bijrol. Den Haag en gemeenten mogen de bal dan bij ouders en scholen leggen, zij hebben geen invloed op veranderingen in de wijk.

Waren de sociale huurwoningen in Crooswijk niet tegen de grond gegaan en vervangen door dure koopwoningen, dan was het ouderinitiatief op de Talmaschool nooit ontstaan, gelooft Degeling. En zonder de 130 koopwoningen die vijf jaar geleden in Kralingen verrezen, was de populatie van de Arentschool nu niet zo gemengd, zegt Van der Hout.

Ouderinitiatieven, concludeert het Verwey-Jonker Instituut in een recent rapport over het fenomeen, zijn bovendien nooit klaar. Let je even niet op, dan ontstaat er binnen een paar jaar een ander soort bubbel: van rijke, hoogopgeleide, veelal witte ouders. Van overwegend witte scholen zijn amper voorbeelden bekend van initiatieven om een ander type ouders te werven, merken de onderzoekers fijntjes op. ‘Hoewel de initiatieven om witte scholen gemengder te maken evengoed belangrijk zijn.’

De Kralingsche School kan geen ouderinitiatief beginnen, verklaart directeur Van Groesen. De beperkte schoolplekken worden door het strenge postcodebeleid gevuld met kinderen uit de omringende straten. Kinderen uit minder rijke buurten iets verderop, komen niet in aanmerking. ‘Ik zou het die kinderen ook gunnen hier op school te zitten’, zegt Van Groesen. ‘Maar als hun ouders dat écht zouden willen, denk ik dat zij het initiatief moeten nemen om hier aan te kloppen. Ik denk niet dat dat initiatief van ons hoeft te komen.’

Inkomensverdeling basisscholen in uw buurt

Op volkskrant.nl/schoolklas ziet u hoe de ouderinkomens verdeeld zijn in uw eigen wijk en kunt u meer lezen over het onderzoek.

Meer over