Waarom het grote publiek liever naar Rothko kijkt dan naar Stockhausen luistert

Waarom doet abstracte kunst het zo goed in de musea en waarom wil er niemand luisteren naar experimentele muziek? Fascinerende vraag, opgeworpen in het zeer prikkelende pamflet Fear Of Music: Why People Get Rothko But Don't Get Stockhausen een paar maanden gepubliceerd door de Britse muziekjournalist David Stubbs (Zero Books, ISBN 978 1 84694 1795).

Het boekje lijkt me geschreven vanuit een soort frustratie die ik wel herken: waarom wordt abstracte dan wel conceptuele kunst, die niet meteen te bevatten op voorhand toch interessant gevonden, terwijl experimentele muziek of muziek die niet meteen meeneuriebaar is maar waar enige moeite voor moet worden gedaan al snel als onbeduidende herrie wordt afgedaan.

Het cultureel geïnteresseerde publiek staat snel open voor tentoonstellingen van moderne kunstenaars, maar van nieuwe moderne muziek hebben ze geen benul, zo betoogt Stubbs. Ze dragen Damien Hirst op handen maar hebben geen idee wie Derek Bailey is. Hij verbaast zich er ook over dat mensen die dat wel weten, en bijvoorbeeld iedere maand trouw The Wire lezen, ook zeer goed op de hoogte zijn van wat de ontwikkelingen in de beeldende kunst zijn. Terwijl museum-conservatoren en kunstcritici die alles van Joseph Beuys weten vaak nooit van CAN, Merzbow of Sun O))) gehoord hebben.

Met instemming citeert Stubbs de Amerikaanse criticus Alex Ross: 'While the splattered abstractions of Jackson Pollock sell on the art market for a hundred million dollars or more...the equivalent in music still sends ripples of unease through concert audiences and makes little discernable impact on the outside world.'

Inderdaad, denk ik dan, als je die hoes van Ornette Colemans baanbrekende elpee Free Jazz (1960) ziet met dat schilderij van Jackson Pollock op de voorkant, dan klopt dat eigenlijk precies. De vernieuwingen in de muziek die op die plaat te horen waren, werden perfect geïllustreerd door de hoes. Abstracte jazzmuziek en abstracte schilderkunst vormden een volkomen logisch verbond.

Zoals vernieuwingen in de beeldende kunst in het verleden vaker gelijke tred hielden met die in de muziek. Stubbs haalt bijvoorbeeld de correspondentie aan tussen Kandinsky en Schönberg, een toonaagevend schilder met een toonaangevend componist. Abstracte kunst was net zo'n reactie op de figuratieve als de atonale muziek op die van Mozart en Bach. Kandinsky is in alle musea te bewonderen, en hoort bij de lesstof in het kunstonderwijs. Maar Schönberg of Coleman?

Hoe dat komt? Daar geeft Stubbs eigenlijk geen antwoord op. Zijn boekje geeft vooral een overzicht van de ontwikkelingen in de moderne, al dan niet improviserende muziek en in mindere mate die in de beeldende kunst. Hij stuift enigszins kort door de bocht door de popgeschiedenis, maar stipt wel heel inzichtelijk Krautrock en Britse Improv-muzikanten als Derek Bailey en Evan Parker aan.

Je steekt er, kortom, best wat van op, maar uiteindelijk is het toch jammer dat hij het ook niet echt weet waarom moderne beeldende kunst een groter aanzien heeft (want dat bedoelt hij eigenlijk) dan moderne muziek.

Men vindt het blijkbaar niet erg in een museum minutenlang naar een installatie te staren zonder er iets van te begrijpen, maar waag het niet een stukje onbeluisterbare muziek voor te spelen, dan is hoongelach het resultaat.

Klinkt aardig maar is het ook waar? Gaandeweg het lezen bekroop me steeds meer het gevoel dat het volgens mij allemaal wel meevalt. De hit op het Holland Festival was de intergrale uitvoering van het niet bepaald als toegankelijk bekend staande oeuvre van Edgar Varèse. Ja, een 'oude' naam dat wel.

Ik geloof trouwens dat er vroeger, in de jaren zestig meer media-aandacht was voor 'moeilijke' muziek. De publieke omroep trok toen kostbare uren van hun zendtijd uit voor toch niet echt makkelijk te behappen jazz van Albert Ayler.

Ik heb een bootleg van Albert Ayler Quartet: The Hilversum Session. De VARA nam het concert van Ayler in november 1964 niet alleen op: het werd ook gewoon op de radio uitgezonden. 45 jaar later is voor toch behoorlijk experimentele muziek hooguit een plekje op Radio 6 beschikbaar. Op internet dus maar niet via de ether.

Je zou bijna denken dat culturele smaakmakers vroeger ruimdenkender waren dan nu, maar ik denk dat het gewoon kwam door het enthousiasme van Aad Bos en Michiel de Ruyter. Zij hielden van die muziek en wilden dat enthousiasme delen, daar begint het mee.

Stubbs haalt veel overhoop. Hij heeft gelijk: iedereen vindt Rothko mooi of op z'n minst interessant, maar bijna niemand Stockhausen. Toch zijn er veel hedendaagse kunstenaars die net zo min worden begrepen of bewonderd. Wel denk ik dat hij gelijk heeft dat het ook een kwestie is van ergens een beetje je best voor willen doen.

Moeilijke muziek laat zich snel belachelijk maken, maar veel moderne kunst ook. ('Is dat kunst? Dat kan mijn zoontje van drie ook.')

Hooguit kun je je afvragen waarom kunstwerken zo krankzinnig veel geld opleveren, terwijl componisten zich drie keer in de rondte moeten werken om van hun muziek te kunnen leven. Maar dat is een kwestie van schaarste, van vraag en aanbod.

Waarom het grote publiek liever naar Rothko kijkt dan naar Stockhausen luistert heeft volgens mij ook met iets heel anders te maken: tijd en moeite. Je hoeft geen drie kwartier naar een schilderij te staren om er iets van in je op te nemen, maar een muziekstuk moet je wel uitzitten om er iets over te kunnen zeggen.

Het is, met andere woorden, veel makkelijker om over kunst mee te kunnen praten dan over muziek.

Leerzaam boekje toch, waar ik ook een paar keer erg om gelachen heb zoals om de quote van noise-muzikant Merzbow:

'If noise means uncomfortable sound, then most pop music is noise to me.'

Geen speld tussen te krijgen.

Meer over