Vijf vragenVeenweidegebieden

Waarom doet het Rijk zo weinig aan bodemdaling en CO2-uitstoot in veenweidegebieden?

In de veenweidegebieden daalt de bodem jaarlijks met bijna een centimeter en komt door de kunstmatig lage waterstand veel CO2 vrij. Hoog tijd voor actie, zeggen deskundigen, maar de politiek schuift deze problematiek al decennia voor zich uit, concludeert de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur. 

Beeld ANP

Wat is het probleem?

Als niet wordt ingegrepen in de CO2-uitstoot vanuit veenweides, dan is de kans klein dat Nederland de komende decennia de eigen klimaatdoelen haalt. Daarop wijzen de adviseurs van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) in het vandaag verschenen rapport Stop bodemdaling in veenweidegebieden. De raad kan gevraagd en ongevraagd advies geven aan de regering, die verplicht is tot een reactie waarin staat wat ze ermee zullen doen. 

In het jongste, relatief alarmistische rapport schrijven de Rli-adviseurs dat de veenweides rond met name het Groene Hart, in Noord-Holland en in Friesland/Overijssel  jaarlijks goed zijn voor 4 tot 7 megaton CO2-uitstoot en wijzen er fijntjes op dat dit ongeveer de helft is van wat Nederland volgens de klimaatwet in 2050 nog mag uitstoten (11 megaton CO2).

Hoe werkt dat, veenweidebodems die CO2 uitstoten?

Met name om boeren te plezieren - optimale grasopbrengst en geen vastgelopen tractoren in drassige grond - houden de Waterschappen de waterstand laag. Veen houdt veel van het broeikasgas CO2 vast, maar met een lage grondwaterpeil komt het veen in aanraking met zuurstof en oxideert het. Daarbij komt het broeikasgas vrij. Ook daalt met de lage waterstand de bodem in veenweidegebied met bijna een centimeter per jaar, wat weer reden is om de grondwaterstand verder te verlagen. Zo draait de vicieuze cirkel al decennia rond.

De Rli roept in het advies het Rijk op nu eindelijk eens de regie te nemen in het oplossen van de problemen in veenweidegebieden en niet langer te wachten tot lokaal oplossingen worden gevonden. Er gebeurt in het hele land genoeg, maar deze aanpak levert al decennia te weinig op, is de conclusie van de raad.

Waarom grijpt de politiek niet in?

Geld, denkt het Rli. Er zijn eigenlijk geen goede berekeningen gemaakt van wat het zou kosten als het landelijk veenweidegebied fors wordt vernat. Daar staat tegenover dat de inschattingen van de kosten bij niets doen in het landelijk veengebied op het eerste gezicht relatief laag zijn: op basis van berekeningen van het Planbureau voor de Leefomgeving en eigen optelsommen, komt het Rli op zo’n 3 miljard euro tot 2050 voor herstel van infrastructuur en funderingen, en voor het ophogen van verzakte kades en keringen. 

Alleen, zeggen de adviseurs van de raad: niets doen is helemaal geen optie. Want los van de bindende klimaatdoelen gaat het lage waterpeil ook ten koste van de waterkwaliteit en natuurdoelen. Bovendien zullen de kosten voor waterbeheer in de veenweidegebieden stijgen. 

In het advies is bodemdaling in het stedelijk gebied buiten beschouwing gelaten. De kosten voor herstel aan met name gebouwen worden daar nog vele malen hoger ingeschat dan in landelijk gebied.

Wat moet er volgens het Rli gebeuren?

Juist omdat met een verhoogde waterpeil in veenweidegebied meerdere problemen kunnen worden opgelost, zou de overheid regie moeten nemen bij een gebiedsgerichte aanpak. Begin eens met het stellen van een doel, luidt het advies. Om de klimaatdoelen in 2050 te halen moet het verzakkingstempo tegen die tijd met 70 procent zijn teruggebracht, rekenden de adviseurs van de Rli uit. Net als met het klimaat zou het Rijk dit bodemdoel op nationaal niveau moeten vastleggen - met als tussendoel 50 procent in 2030.

Waarom is vernatting lastig voor boeren?

Uiteindelijk komt vernatting vooral neer op een lagere grasopbrengst, met als consequentie dat een boer minder melkvee kan houden of meer voer van elders moet halen. In beide gevallen daalt het inkomen. De precieze kosten voor vernatting zouden volgens de Rli beter in beeld moeten komen en de rekening moet vervolgens vooral niet bij boeren worden neergelegd. De overheid zou een vorm van CO2-beprijzing – zoals in Friesland gebeurt met ‘Valuta voor Veen’ – moeten invoeren voor melkveehouders om het aantrekkelijk te maken meer te reduceren dan de klimaatplannen de landbouw voorschrijven. Ook moet de overheid portemonnee trekken om boeren te helpen werken in de nattere omstandigheden.

Landbouwhydroloog Gé van den Eertwegh adviseert vanuit zijn bedrijf KnowH2O boeren op veen en onderschrijft de Rli-conclusie: door gebrek aan sturing vanuit het Rijk schiet het niet erg op met verbeteringen. Al ziet hij dat rond het Groene Hart en in West-Nederland de provincies enige tijd serieus aan de slag zijn met peilbeheer en ontwatering.

‘Met name in Friesland – waar veel boeren een zwaar machinepark hebben – staat de provincie een veel lager peil toe’, zegt Van den Eertwegh. Waar het Rli minus 20 onder het maaiveld als ideaal ziet om bodemdaling en broeikasgasemmissies tegen te gaan, staat het water in het noorden op veel plekken lager dan minus 80. ‘Men is in Friesland bezig met een inhaalslag, maar het is eigenlijk absurd hoe het daar nog gaat.’

Lees ook:

Op de veenweiden is het terug naar de tijd van Ot en Sien
Om bodemdaling en CO2-uitstoot tegen te gaan wordt het tijd dat het Rijk serieus werk gaat maken van de vernatting van veenweiden. Herman Lenes, die boert op veengrond in Friesland, overweegt mee te doen aan een project, maar is ook voorzichtig. ‘Als het te nat wordt kan ineens je groeiseizoen naar de knoppen zijn.’

Deze koe moet de landbouw in zompig veengebied redden. Nadeel: ze is stronteigenwijs
Door de lage waterstand laten veenweidegebieden veel CO2 los, zakt de grond weg en verdwijnt de weidevogel. Een hogere waterstand biedt uitkomst, maar niet voor de boer die natte poten bij de koe wil voorkomen. Het robuuste Blaarkop-koeienras moet in een zompiger Groene Hart uitkomst bieden.

Meer over