Columnmartin sommer

Waarom de tegenstanders van kernstroom zich niet laten overtuigen

null Beeld

Even in Frankrijk voor de frisse lucht. In ons departement gaat de strijd tegen de windmolens voort, zij het dat de gele dundoeken met opschrift – NEE tegen éoliennes – gaandeweg vaal en rafelig zijn geworden. Onze hoop is intussen gevestigd op president Macron. Die heeft de bakens verzet en wil nu nieuwe kerncentrales, kleintjes, niet meer van die onbetaalbare monsters. Volgend jaar zijn hier presidentsverkiezingen en Macron kijkt ook met een schuin oog naar de gele hesjes en de energieprijzen – revoluties plegen in Frankrijk met een duurte-opstand te beginnen.

Eerst moet de Franse president een gevecht met de Duitsers leveren. Zij hebben hun Atomausstieg en binnenkort de Groenen in de regering. De weerslag daarvan wordt zichtbaar in Brussel, waar de strijd gaat om de zogenoemde ‘taxonomie’ van groene energiebronnen. Als kernstroom daarbij gaat horen, scheelt dat enorm in de investeringen en subsidies. Er staat veel op het spel. De Fransen hebben een glanzend argument, onlangs verwoord door het Internationaal Energieagentschap IEA: dankzij de tevreden snorrende kerncentrales produceert Frankrijk per kilowattuur zes keer minder CO2 dan Duitsland.

Het raadsel is waarom het zo slecht lukt om Duitsers, of meer in het algemeen progressieven, ervan te overtuigen dat kernenergie een prima optie is. Zelfs in Frankrijk is kernenergie rechts – Macron hoopt met zijn opstelling kiezers van Marine le Pen af te snoepen. Maar waarop rechts? In Nederland schrijft Ronald Plasterk (PvdA) zijn vingers blauw in De Telegraaf over de voordelen van kernstroom: CO2-schoon, leveringszekerheid, minder slachtoffers, minder ruimtebeslag, en ook het afvalprobleem wordt steeds overzichtelijker. Plasterk heeft zijn column in de verkeerde krant, omdat die parochie al bekeerd is. Maar geen tegenstander van kernstroom zal zich laten overtuigen en de vraag is hoe dat komt.

Er is een theorie die luidt dat de weerzin tegen kernenergie wortelt in weerzin jegens onze welvaart. We moeten anders gaan leven, soberder. En de energiecrisis, of groter klimaatcrisis, biedt daarvoor een prachtige kans. Volgens een goddeloze variant van het calvinisme zijn wij schuldig en mogen we dat niet afkopen met zo’n mooie kerncentrale. Vandaar dat de noordelijke, protestantse landen, Nederland incluis, hun land liever verpesten met windmolens, en de katholieke zuidelijken er maar op los leven, zoals Dijsselbloem ooit vaststelde.

Die theorie rammelt, maar dat er sprake is van een soort godsdienststrijd, schreef de Duitse socioloog Ulrich Beck al in 1986. Zijn visionaire boek Risikogesellschaft – Risicomaatschappij – lag een maand na de ontploffing van Tsjernobyl in de winkel. Het boek werd richtinggevend, onder meer voor de Duitse Atomausstieg. Nog altijd kun je er veel van opsteken, ook over de cultuurstrijd rondom de klimaatopwarming.

Volgens Beck bestaat de oude klassenstrijd nog wel, maar beheerst die niet langer de machtsverhoudingen. Dat is de strijd om de veiligheid geworden. In de klassenstrijd luidde de noodkreet: ik heb honger! In de risicosamenleving roept men daarentegen: ik ben bang! Het gevecht gaat niet meer van laag tegen hoog, aangezien risico’s iedereen raken. De tegenpolen van nu zijn degenen die het gevaar onderkennen, tegenover degenen die het negeren. De gelijkenis met godsdienststrijd draait niet zozeer om schuldgevoel als wel om het besef van een eindtijd, de catastrofe die eraan zit te komen. Marx schreef dat het zijn het bewustzijn bepaalt. Nu is dat omgekeerd: het bewustzijn bepaalt het zijn. Het gevaar loert overal, als je het maar wilt zien. In de tijd van Beck was het de kernramp, intussen hebben we de klimaatcrisis en een wereldbedreigende pandemie.

Het gevaar bedreigt iedereen en iedereen is verantwoordelijk. De kleinste bezigheid heeft wereldomspannende betekenis gekregen – koken op gas, een vliegreis boeken, überhaupt consumeren. De politieke eis van deze tijd is niet langer vrijheid, maar veiligheid, vooral voor toekomstige generaties. Alles moet hiervoor wijken. In de Europese Unie is het hele energiebeleid versmald tot klimaatbeleid – geopolitiek of leveringszekerheid is men in Brussel even vergeten. Dat wreekt zich nu de energieprijzen door het plafond gaan. Ook Marjan Minnesma van Urgenda ziet alleen maar de catastrofe. Zij vroeg zich onlangs af ‘of we gek zijn geworden’, nu vanwege de energiekosten haar afgedwongen beperking van fossiele energie niet gehaald dreigt te worden.

Een risicosamenleving is geen leuke samenleving. Het gevaar loert, en de mensen beloeren elkaar. Aan de universiteit worden ‘safe spaces’ ingericht. Ook als er geen tastbare dreiging is, weet je nooit wat er in het studieboek staat of wat een medestudent onverhoeds zou kunnen zeggen. Niet alleen het klimaat, ook de taal moet veilig zijn. Bovenal markeert de risicosamenleving het einde van de liberale grondgedachte dat ik vrij ben zolang ik mijn buurman niet dwarszit.

Als de angst regeert, is de vrijheid zelf een bedreiging geworden. In de vrijheid van de buurman schuilt riskant gedrag dat mij in de toekomst allerlei ellende kan opleveren. Omdat we de toekomst niet kennen, winnen risico’s ook de strijd met de tastbare feiten. Er zijn feiten die het gevaar weerspreken, bijvoorbeeld dat er bij de ramp van Fukushima nauwelijks atoomslachtoffers te betreuren waren. Maar juist die feiten zijn als ‘mest op de vruchtbare akker waarop de angst groeit, bloeit en gedijt’, aldus Ulrich Beck.

Macron kan het grootste gelijk van de wereld hebben met zijn kerncentrales, voorlopig zie ik het hem niet krijgen.

Meer over