Waar zijn die prachtige netwerken in de buurten?

Het leven van hulpbehoevenden zal nog eenzamer worden door de WMO, vrezen Jan Willem Duyvendak en Loes Verplanke..

Sinds vijftien jaar wil de overheid dat psychiatrische patiënten, gehandicapten en ouderen zelfstandig wonen in gewone wijken. Vermaatschappelijking van de zorg heet dat. Afgezonderd in gestichten in de bossen zouden deze mensen alleen maar gekker of zieker worden, was het idee. Maar gek genoeg waren de ideeën over het alternatief, gewoon wonen in de wijk, veel minder uitgewerkt. Aan buurtbewoners werd niet gevraagd of zij inderdaad een veilige en prettige woonomgeving konden bieden aan deze nieuwkomers. En ook de meeste direct betrokkenen overkwam het. Zolang het een verbreding van hun opties was - ze mochten in de wijk gaan wonen maar hoefden dat niet - was dat geen probleem. Maar van een recht is vermaatschappelijking een plicht geworden.

En dat terwijl het nieuwe beleid geen doorslaand succes is. Want vele kwetsbaren wonen nu in een 'gewone' wijk maar leven ze daar ook echt? Volgt uit het wonen automatisch burenzorg, nieuwe contacten of zinvolle dagbesteding? Nee, al die dingen moeten worden georganiseerd en geleerd. Uit onderzoek onder zelfstandig wonende psychiatrische patiënten blijkt dat meer dan de helft van hen geen betaald of onbetaald werk heeft. Ook hebben velen geen vaste relatie. De helft van hen ontvangt nooit of minder dan een keer per maand bezoek. Daarmee willen we niet suggereren dat het ideaal van tafel moet. Maar we moeten ons wél afvragen welke voorzieningen nodig zijn om mee te kunnen doen.

In principe zou de Wet Maatschappelijke Ondersteuning het antwoord moeten geven. Een expliciet doel van de WMO is immers het stimuleren van deelname aan het maatschappelijk verkeer van mensen met beperkingen. Maar het is de vraag of de wet zoals het kabinet zich die nu voorstelt veel soelaas biedt. Op termijn moet de WMO een belangrijke bezuiniging opleveren, omdat de gevreesde toeloop naar de AWBZ doelbewust wordt ingedamd.

Voor hulp moet iedereen namelijk voortaan eerst in zijn eigen omgeving aankloppen. Eigen verantwoordelijkheid en informele zorg zijn niet voor niets centrale begrippen in de WMO. Alleen wie kan aantonen dat hij echt geen hulp kan krijgen van zijn eigen sociale netwerk, mag een verzoek indienen voor professionele hulp. Een verzoek: zorg is niet langer een recht maar wordt een gunst.

De regering gokt erop dat het aanbod aan informele zorg van familie, vrienden, buren en vrijwilligers zo groot zal zijn, dat ook de kwetsbare groepen in de wijk geholpen kunnen worden. Maar waarop is die verwachting gebaseerd? Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat er nu, naast betaalde baan en gezin, al veel informeel wordt gezorgd: zo'n 3,4 miljoen Nederlanders, meest vrouwen, doen dit. Een derde van hen kampt met dreigende overbelasting. Veel rek zit hier dus niet meer in. En dat terwijl door de WMO de vraag sterk zal toenemen. Ouderen en zieken zullen hiervan de dupe worden. Zij hebben weinig solide sociale contacten en krijgen dus minder vaak informele hulp, zoals het SCP afgelopen najaar nog vaststelde. Dat geldt eens te meer voor zeer kwetsbare mensen zoals psychiatrische patiënten, gehandicapten en zorgbehoevende ouderen. Ook al omdat zij in wijken wonen waar de schaarste aan informele steun nog groter is dan gemiddeld; in wijken die wegens herstructurering op de schop gaan, die in hoog tempo verkleuren en een hoog verhuispercentage kennen. Daar bestaan de prachtige sociale netwerken waar de WMO van droomt nauwelijks. In zulke wijken is het leven voor 'gewone' mensen vaak al ingewikkeld. Hoe mensen die nog zwakker in het leven staan zich daar moeten redden, is een vraag waar beleidsmakers nog niet het begin van een antwoord op weten. En dat is ernstig. Het rozige ideaal van community care waarop de WMO is gebaseerd - woonwijken als kuuroorden - botst met de gure realiteit van 2006.

Meer over