Waar zijn de beeldend kunstenaars?

Bescheidenheid. Bij de meeste beeldend kunstenaars zit 't niet in het bloed. 'Ik begin de dag graag met 20 duizend dollar', zei Salvador Dalí ooit - een uitspraak waarop decennia later gevarieerd werd door supermodel Linda Evangelista, toen ze riep dat ze voor minder dan tienduizend dollar d'r nest niet uitkwam. How very Dalí om zo door de commercie te worden opgepikt.


Hardnekkige geruchten gaan dat Dalí tienduizenden blanco vellen voorgesigneerd had klaarliggen. Vellen die later op onduidelijke wijze tot kunstwerk werden getransformeerd, zo vertelt kunsthistoricus Antoon Erftemeijer in het heerlijke boek De aap van Rembrandt, vol haast mythische kunstenaarsanekdotes.


Toch zijn beeldend kunstenaars opmerkelijk onzichtbaar de afgelopen tijd. In musea zie je ze, tuurlijk, en in galeries. Op Art Basel Miami Beach. Maar niet daar waar je ze nu zou verwachten: zoemend als killer bees om de oren van politici die het niet kunnen laten hen als matig relevante subsidiezuigers neer te zetten. Die met een haast rancuneuze glimlach de BTW op hun product verhogen van 6 naar 19 procent, en de aanvullende uitkering op hun inkomsten willen afschaffen. Niet in De Wereld Draait Door of bij Pauw & Witteman, niet bij een politiek congres, zoals de MCO-orkesten bij het CDA-congres olijk protesterend musiceerden - met effect, zoals deze week bleek. Niet in reclamecampagnes om te schreeuwen om cultuur, hoewel je ze dat voor de goede smaak ook niet kwalijk kunt nemen. En nee, niet veel in de kranten.


Waar zijn ze, die beeldend kunstenaars? Waarom staan ze niet op de barricaden? Tegen de stroom in zwemmen was toch hun modus operandi? Het begint op kamikazeduiken te lijken.


Het lijkt bijna alsof hun autonomie zich in deze tijden tegen ze keert. Ze werken alleen, op hun eigen manier. Ze zijn vaak niet meer verwant aan andere beeldend kunstenaars dan aan een slager of advocaat; gewoon, mensen die hun eigen ambities volgen. Ze zijn niet verenigd, zoals musici in orkesten en acteurs in gezelschappen.


In zekere zin is het politieke offensief van nu een battle against the unprotected. Kunstenaars worden vertegenwoordigd door galeristen, die hen soms tonen op beurzen en 40 procent opstrijken als ze iets van hen verkopen. Ze worden getoond door musea, beschreven door kunsthistorici. Maar al die banden zijn los.


Voor de kracht van hun autonomie, lijkt op dit moment even weinig ruimte. Toen Antonie van Dyck na het maken van een portret de hertogin van Richmond zijn prijs noemde, was ze onthutst. 'Meester, u verlangt voor dit portret meer dan de minister van Financiën in een kwart jaar verdient.' 'Best mogelijk,' antwoordde Van Dyck, 'daarom wil ik uwe hoogheid aanraden, zich een volgende keer door de eerste minister te laten schilderen.'


Er kwam een uitnodiging in mijn mailbox. 'Buying art is the best protest', stond erin. Een charmant initiatief van tentoonstellingsplaats Nieuw Dakota in Amsterdam, waar kunst tot 1500 euro werd verkocht, uiteraard met 6 procent BTW, zo lang het kan.


Je zou willen dat het verzamelaarsklimaat zo snel zou ontpoppen als 't het kabinet nu uitkomt. Maar helaas, er is genoeg onderzoek gedaan dat aantoont dat het tientallen jaren kost om voldoende particuliere geldstromen los te krijgen om de Hollandse kunstwereld op niveau te houden.


Des te onbegrijpelijker die monumentale paradox in de politiek: particulieren stimuleren, en de prijzen van kunst met BTW verhogen!?


Meer over