Column

Waar komt het dichterstalent vandaan?

'Kun je leren om poëzie te schrijven?' vroeg een lezer van deze column aan mij in een brief. Een moeilijk te beantwoorden vraag. Al doende leert men was onder andere het antwoord dat mij niet bevredigde. Er gaat zoiets als talent aan vooraf. Waar komt dat talent vandaan? Heb ik het van mijn vader geërfd?

Remco Campert
'Waar komt dat talent vandaan? Heb ik het van mijn vader geërfd?' vraagt Remco Campert zich af. Beeld An-Sofie Kesteleyn
'Waar komt dat talent vandaan? Heb ik het van mijn vader geërfd?' vraagt Remco Campert zich af.Beeld An-Sofie Kesteleyn

In 1927 schreef Jan Campert het gedicht 'Wintermiddag' (Stols, 1947):

Het plein, het asphalt en de mist;
een schaduw grauw, die zich
verdicht.
en enkel hier en daar een raam
dat geeft een wankel,
scheem'rend licht
een aardsche maan, een oog dat
staart
achter de floersen van het leed,
een ongekende, donk're pijn
waarvan ik niet de oorsprong
weet,
maar die zich onherroepelijk
vast bijt in ziel en bonzend bloed,
een heimwee, dat zichzelf niet
kent,
een angst, een vreezen onver-
moed...

Het is natuurlijk onmogelijk, maar wist hij toen al dat hij in Neuengamme zou sterven?

Ik schreef het gedicht 'In het donker':

Soms zie ik spoken
's avonds laat op straat
in een vuilwitte jurk
jij die niet bestaat
of mager in een pak
van vooroorlogse snit
mijn vaders gelaat
of tot mijn schrik
in een spiegelruit
mezelf die verdergaat

En nu een gebeurtenis die zich afspeelde tijdens Poetry International. Voor iedereen was een slaapplaats verzorgd, behalve voor de dichteres Hagar Peeters. Ze klopte bij mij aan en even later lagen wij naast elkaar in bed. Het kwam niet in mijn hoofd op tot onzedelijke handelingen over te gaan.

Respect!

In haar bundel Wasdom (De Bezige Bij, 2011) staat het gedicht 'Voor Remco Campert'. Hieruit een fragment:

Misschien lagen we daar te
wachten
op een bevrijding
draaiden we een kleine revolutie
af

of waren we ondergedoken voor
de zoeklichten
van achterwaarts rijdende
automobielen
die voorbijgingen aan het
vuistbrede kiertje
dat zich tussen de gordijnen
naar hen balde

maar nacht was je vuist op mijn
schouder
en de kamer hing als een maan
in de nacht

Meer over