BeschouwingTERRASCULTUUR

Waar komt die wens om (weer) op het terras te zitten vandaan? ‘De beste zitplaatsen voor de choreografie van het leven’

Plezier onder de paraplu op een heropend terras in Leiden, juni vorig jaar.  Beeld  Freek van den Bergh / de Volkskrant
Plezier onder de paraplu op een heropend terras in Leiden, juni vorig jaar.Beeld Freek van den Bergh / de Volkskrant

In het debat over versoepeling van de coronamaatregelen trekt het terras vaak de aandacht. Hoe kon op een terras zitten bijna een eerste levensbehoefte worden? ‘Hier wordt de heropening van de samenleving voor het eerst zichtbaar.’

Als in de 19de eeuw, om welke reden dan ook, het terrasleven zou zijn stilgelegd, zou dat door maar heel weinig mensen zijn opgemerkt. Want terrassen waren schaars, en de mensen die zich er konden verpozen waren niet erg talrijk. Zelfs het woord ‘terras’ ontbrak vrijwel in het vocabulaire. In de tien jaargangen van het Algemeen Handelsblad tussen 1850 en 1860 (de Volkskrant bestond toen nog niet) kwam het woord slechts 92 keer voor. In het volgende decennium slechts 163 keer – in uiteenlopende betekenissen. En in de jaren tussen 1890 en 1900 niet meer dan 1.125 keer, advertenties inbegrepen.

Nu komen we bijna dagelijks aan dit aantal. In de covidjaren 2020 en ’21 is ‘terras’ een onontkoombaar thema. De eerste, ‘intelligente’, lockdown kreeg gestalte op terrasjes. Als de huidige pandemie niet door vele andere wordt gevolgd, zullen de beelden van ‘het laatste rondje’ in maart 2020 nog tot in lengte van jaren worden getoond – en misschien ooit wel gevoelens van weemoed wekken. Vergelijkbaar met de lege snelwegen tijdens de oliecrisis van 1973-’74. Omgekeerd zal de terugkeer van de normaliteit worden geïllustreerd met beelden van terrasjes die geleidelijk weer volstromen. Eerst nog met inachtneming van afstandsregels, later met toenemende vrijmoedigheid. Totdat ook de pijlen die de looprichting aangeven zijn versleten, en de plastic schermen tussen de tafeltjes zijn verwijderd.

Wilt u dit artikel liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie.

Vrije tijd

‘Het terras is de metafoor bij uitstek van vrijheid’, zegt stadsgeograaf Irina van Aalst. ‘Hier wordt de heropening van de samenleving voor het eerst zichtbaar.’ In betrekkelijk korte tijd heeft het terras zich ontwikkeld tot levensbehoefte voor veel mensen. Dit hangt samen met de ontwikkeling van de (binnen-) steden van productie- tot consumptiecentra – die al bijna dertig jaar geleden is ­beschreven door stadssocioloog Jan Oosterman in zijn proefschrift ­Parade der Passanten. Waar stedelingen hun schaarse vrije tijd vroeger binnenshuis, in parken of aan de groene randen van de stad doorbrachten, zijn ze dat vanaf de jaren zeventig toenemend ín de steden gaan doen. Op de straten die eerder het domein waren van automobilisten, op de pleinen die er buiten de weekmarkten nog verlaten bij lagen, en langs grachten die ternauwernood voor asfaltering waren behoed.

Tussen 2012 en 2018 steeg het aantal restaurants met een terras in Nederland van ruim negenduizend tot ruim tienduizend (om daarna licht te dalen). Steeds meer van die terrassen bieden plaats aan 150 gasten of meer. Vooral in Den Haag zijn de terrassen sterk uitgedijd: van de 372 restaurant-terrassen die er in 2019 werden geteld, had 15 procent een capaciteit van ten minste 200 zitplaatsen. In Amsterdam, Rotterdam en Utrecht (dat door The New York Times een plek kreeg toebedeeld in de erelijst van ‘meest bruisende terrasculturen in Europa’) bedroegen die percentages respectievelijk 1,3, 2,1 en 2,5.

Terras bij Amsterdam Centraal Station. ‘Op een terras kun je tonen dat je niet hoeft te werken en dat het je goed gaat.’ Beeld ANP / Maria Austria Instituut
Terras bij Amsterdam Centraal Station. ‘Op een terras kun je tonen dat je niet hoeft te werken en dat het je goed gaat.’Beeld ANP / Maria Austria Instituut

Steden profileren zich naar hartelust met hun terrassen: er wordt levenskwaliteit mee gesuggereerd. En rondom al die terrassen is een sociale choreografie tot ontwikkeling gekomen die in het stedelijk leven van voorbije eeuwen ontbrak. Toen had je weliswaar ook de pantoffelparades en de zondagse wandelingen van de gezeten burgerij die haar welstand wilde tonen, maar op de terrassen gebeurt nog iets anders, zegt Van Aalst.

Overgangszone

‘Het terras is de overgangszone tussen de private ruimte van een café en restaurant, en de openbare ruimte op straat. Binnen heersen sociale conventies, zit een bepaald publiek en geeft de uitbater blijk van zijn persoonlijke muziekvoorkeuren. Maar het terras is een semipublieke ruimte, waar de diversiteit iets groter is, waar de mensen zich meestal korter ophouden dan binnen, maar waar je toch onderdeel bent van een vluchtige groep. Je zit er alleen, of met een paar andere mensen, maar je bent er ook samen. Het is een plek van unfocused interaction, zoals de socioloog Erving Goffman het uitdrukte. Een plek waar je onnadrukkelijk met elkaar verblijft. En vanaf die veilige plek, om hem zo maar te noemen, kun je zonder gêne naar passanten kijken in de wetenschap dat je zelf ook wordt bekeken.’

Om het in de woorden van Oosterman te formuleren: het leven is een schouwspel, en op het terras heeft men de beste zitplaatsen. ‘Het terras maakt je letterlijk lid van een menigte, maar doorbreekt niet de zelfgekozen afzondering’, schreef Hugo Camps. En als onderdeel van die ­menigte kan je ook een ‘groot terrasgeluk’ ten deel vallen: ‘het ongewild afluisteren van gesprekken, die altijd gefluisterd worden, maar nooit intiem zijn.’ Het terras is een plek van geoorloofd voyeurisme.

Voorbereiding voor een anderhalvemeterterras in Nijmegen.  Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant
Voorbereiding voor een anderhalvemeterterras in Nijmegen.Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Het terraspubliek verkeert in een comfortabeler positie dan de passanten, die vaak toch het gevoel hebben dat tientallen hoofden met hen meebewegen als zij langs een vol terras lopen. ‘De wijze gaat liefst onopgemerkt voorbij’, wist Willem Elsschot al. Maar daar gaat ook een sociale controle van uit die op overige openbare plekken vaak ontbreekt, zegt de Rotterdamse bestuurssocioloog Mark van Ostaijen.

‘Dat is een van de redenen waarom de komst of de uitbreiding van terrassen in steden wordt getolereerd of aangemoedigd: vreemde ogen van mensen op het terras dwingen bij voorbijgangers een bepaald gedrag af. In de buurt van een terras gebeurt per saldo minder rottigheid dan op plekken waar men zich onbespied waant.’

Diversiteit

De terrascultuur is wel gebaat bij een zekere diversiteit. En daar ontbreekt het nog weleens aan. Sommige uitgaansgebieden, zoals de Grote Markt in Den Haag en de Witte de Withstraat in Rotterdam, hebben zich ontwikkeld tot reservaten van gelijkgestemden. Daar wordt collectief een bepaalde leefstijl gedemonstreerd. ‘Vrijetijdscultuur is ook statuscultuur’, zegt Van Ostaijen. ‘Op een terras kun je tonen dat je niet hoeft te werken en dat het je goed gaat. Dat delen de mensen niet alleen met elkaar, maar ook met gelijkgestemden die er niet bij zijn. Het terras is bij uitstek het decor van selfies en Instagramplaatjes.’

Architect en stedenbouwkundige Hans van der Heijden kent die reservaten ook, en hij vreest dat de terrascultuur daar over het kantelpunt is heen geschoten, oftewel: geen bijdrage meer levert aan ‘de kwaliteit van de openbare ruimte’. Sluipenderweg wordt de publieke ruimte geprivatiseerd en worden de regels er niet langer door de overheid gedicteerd, maar door de uitbaters van de terrassen. ‘En als een stoep of een deel van een plein eenmaal een horeca­bestemming heeft, dan verander je daar niet zo snel meer iets aan.’ In zijn beroepspraktijk merkt hij dat bij de gebiedsontwikkeling: als er ergens al een terras in gebruik is, dan is dat ook voor de toekomst een onomstotelijk gegeven. ‘Een bestaand terras kan een muurvast onderdeel zijn van een plan, net als een theater of een provinciehuis.’

In Liverpool heeft hij gezien waartoe dat kan leiden. ‘Veel ruimte die er publiek uitziet, is in feite geprivatiseerd. Dat betekent dat de orde er niet door de politie wordt gehandhaafd, maar door particuliere beveiligers. En die krijgen natuurlijk instructies over wat mag en wat niet mag in zo’n gebied. Zo worden er niet alleen steltenlopers uit een naburig cultureel centrum geweerd, maar ook straatkrantverkopers en straatmuzikanten.’

Een zomers terras in Tilburg.  Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant
Een zomers terras in Tilburg.Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Zo beschouwd is de terrascultuur onderdeel van de slag om de openbare ruimte. In Den Haag – de stad met de grootste terrassen in Nederland – begon die slag omstreeks 1830 heel voorzichtig met pogingen van de leden van (heren-) sociëteit De Witte, aan Het Plein, om aan de voorzijde van hun voorname onderkomen een bank te plaatsen. Hoewel het plan enige bijval kreeg in de Tweede Kamer, stemde het college van Den Haag er niet mee in uit beduchtheid voor de hinder die ‘fatsoenlijke vrouwen welke langs dien weg verplicht zijn te gaan’ zouden kunnen ondervinden van uitbundige sociëteitsleden. De bank kwam er dus niet, maar dertig jaar laten mochten de heren van De Witte wel enkele stoeltjes en tafeltjes op het Plein plaatsen waar zij ‘comfortabel hun bittertje of koffie konden gebruiken’. Niet lang daarna werd aan de overzijde van Het Plein een terras ingericht, spoedig gevolgd door vergelijkbare ‘plekken ter verpoozing’ elders in Den Haag.

In zijn vuistdikke boek Plaatsen van beschaafd vertier heeft de Nijmeegse cultuurhistoricus Jan Hein Furnée de ontwikkeling van de stedelijke cultuur in Den Haag beschreven. Die ontwikkeling kan niet worden gereduceerd tot een slag om de openbare ruimte, zegt hij. Ze had ook emancipatoire trekken. ‘De vraag ‘wie mag naar wie kijken?’ hield de gemoederen in de 19de eeuw sterk bezig. In navolging van de aanzienlijken eisten ook de fatsoenlijke burgerij, de nijvere burgerij en de kleine burgerij hun eigen plekken op in de publieke ruimte. En al die terrassen werden op een zeker moment ook door vrouwen bezocht. Of, zoals schrijver Johan Gram in 1893 vaststelde: de emancipatie van de vrouw had in de koffiehuizen plaats.’

Het aantal terrassen per provincie (cijfers uit 2019). Beeld de Volkskrant
Het aantal terrassen per provincie (cijfers uit 2019).Beeld de Volkskrant
Het aantal horecabedrijven met een terras en bijbehorend aantal stoelen (cijfers uit 2019). Beeld de Volkskrant
Het aantal horecabedrijven met een terras en bijbehorend aantal stoelen (cijfers uit 2019).Beeld de Volkskrant
Nederland telde in 2019 ruim 52 duizend horecabedrijven, waarvan een kleine dertienduizend een terras hadden. Beeld
Nederland telde in 2019 ruim 52 duizend horecabedrijven, waarvan een kleine dertienduizend een terras hadden.
Meer over