Waanzinnige schoonheid: De visioenen van Prinzhorn's schizofrene meesters

De aristocraat Hans Prinzhorn, kunsthistoricus en psychiater te Heidelberg, legde in het begin van deze eeuw een omvangrijke collectie aan van tekeningen en schilderijen van psychiatrische patiënten....

PAUL DEPONDT

Al heel jong had Salvador Dalì geleerd dat Cervantes, de grootste kroon op Spanje's glorie, zijn leven in de gevangenis had beëindigd. Op de schoolbanken leerde hij ook dat Christoffel Colombus, die ons toch een heel continent had geschonken, bij zijn terugkeer in de gevangenis werd gegooid, omdat hij schulden had gemaakt.

'Oog in oog met deze schrijnende herinnering aan twee illustere voorbeelden heb ik derhalve besloten om zo snel mogelijk enkele strikt noodzakelijke voorzorgsmaatregelen te treffen', schreef Dalì in zijn Paranoïde zelfportret. 'Om beroemd te worden, moest ik een tijdje in de gevangenis verblijven; en om me er doorheen te slaan, moest ik een paar miljoen bijeengaren.' Dalì ontdekte een winstgevend systeem: zijn kritische paranoia. Het was geen krankzinnig idee maar een vondst, want 'het verschil tussen een gek en mij is het feit dat ik niet gek ben'. Hij was de geniale Goddelijke Dalì waar alle Dalinianen naar opkeken. 'Mijn uitzonderlijke ethiek is niet aan dwaling onderhevig.'

Waar ligt de grens, en kan je die grens wel zo gemakkelijk trekken? De adembenemende tentoonstelling La beauté insensée, 'de waanzinnige schoonheid', in het Palais des Beaux-Arts in Charleroi, toont geen Daliniaanse trouvailles, geen kritische paranoia of bluf. Je krijgt er echter over twee verdiepingen honderden hallucinante werken te zien van intramurale patiënten, geniale spielereien, bizarre architectuurtekeningen met een wirwar van lijnen en krommen, uitputtende oefeningen in solfège of schoonschrift, amorf gekras van schizofrenen. Het zijn stuk voor stuk grillige, ontroerende, hartverscheurende, griezelige, ongeremde, impulsieve en visionaire werken, gemaakt met een duidelijk voelbare intensiteit. Het is, wat Arthur Rimbaud ooit over poëzie zei, un désordre des sens, 'een zintuiglijke chaos', een innerlijke en afgesloten wereld die davert op zijn grondvesten.

Het werk van patiënten is anders dan dat van Dalì, alleen al omwille van het door hem aangestipte verschil tussen zijn paranoia en waanzin. Het werk in Charleroi vertoont ontegenzeglijk enkele tekenen van waanzinnige genialiteit. Dat had Dalì bij vlagen ongetwijfeld ook, al was hij in mijn ogen eerder een onverbeterlijke fanaticus. Dat is iets anders, ook al zijn de vele Daliniaanse fratsen en geschriften soms buitengewoon krankzinnig.

Wat je in Charleroi ziet, is art brut. Het is, in de woorden van Jean Dubuffet - die een grote collectie 'waanzinnige kunst' aan het Zwitserse Lausanne legateerde - kunst vormgegeven door een 'zieke' geest, 'kunstwerken die zijn gemaakt door individuen die, om de een of andere reden, aan het culturele klimaat en het sociaal conformisme zijn ontsnapt'. Het zijn halsbrekende afdalingen in de besloten wereld van de geesteszieke.

De tentoonstelling is een keuze uit de collectie Prinzhorn van de universiteit van Heidelberg, een verzameling werken van psychiatrische patiënten die niet eerder in een museum zijn getoond. De collectie is bekend, maar was tot nu alleen op aanvraag te bezichtigen in de archieven van de Heidelbergse universiteit.

De aristocraat Hans Prinzhorn, kunsthistoricus en psychiater uit Heidelberg, verzamelde tussen 1919 en 1921 tekeningen, manuscripten, schilderijen en objecten van chronische patiënten uit verschillende klinieken. Prinzhorn wilde er 'een museum van psychopathologie' mee creëren. Hij wilde een algemene psychologie van de creativiteit schrijven en ging daarvoor - schrijft Ans van Berkum in een brochure over art brut - 'in het onbekende op zoek naar trofeeën van authenticiteit'. Er lagen daar 'schitterende geestelijke fossielen' verborgen in een door opvoeding, etiquette of gekte verdrongen hermetische en voor de ander volstrekt ontoegankelijke wereld.

Kort na het verschijnen van Walter Morgenthaler's bekende pathografie Ein Geisteskranker als Künstler (1921) over 'de uitzonderlijke krankzinnige tekenaar en schrijver' Aldolf Wölfli, schreef Prinzhorn een boek over zijn collectie die intussen was uitgegroeid tot een verzameling van zesduizend werken. Zijn Bildnerei der Geisteskranken, die hij in 1922 publiceerde, is nog steeds een standaardwerk en een referentieboek dat door sommige kunstenaars - zoals Paul Klee, Lucebert en André Breton - werd omarmd als de Bijbel. Prinzhorn koos zijn afbeeldingen heel zorgvuldig. Het ging hem blijkbaar om het onmiddellijk effect, waar ook de tentoonstellingsbezoeker niet aan ontsnapt. Hij zocht werk, meent John MacGregor die de collectie van de Heidelbergse universiteit grondig heeft bestudeerd, 'dat niet alleen in de ogen van zijn tijd een onrustbarende bewogenheid demonstreerde'.

De tekeningen in Charleroi bieden met bloed, zweet en tranen vastgelegde beklemmende sensaties, maar ook uiterst meticuleus getekende zielsverkenningen van het onbekende. Prinzhorn omschreef die uit de donkere kerkers van het onbewuste opborrelende expressiedrift als een fluïdum, magnetische uitstralingen van een hogere orde. Gekte is 'de poort naar verborgen werelden', de deur die toegang geeft tot een tweede wereld die doortrokken is van diepe en oncontroleerbare gevoelens en fantasieën, driften, buien en vlagen van wilde waanzin.

Genie en waanzin liggen in elkaars verlengde, meenden de Romantici. In Open mind (gesloten circuits) toonde conservator Jan Hoet in 1989 in het Gentse Museum van Hedendaagse Kunst zo'n zielsverkenning. Hij hing werk van kunstenaars op naast dat van psychiatrische patiënten, want zowel bij geesteszieken als kunstenaars ontstaat uit de scherven van een stukgeslagen of gehavend leven een nieuwe verbeeldingswereld. Die theorie zie je niet in Charleroi. Al verwijzen sommige op de wand geschreven ideeën of uitspraken van kunstenaars - Vincent van Gogh of Jackson Pollock - naar die romantische gedachte, toch blijft op de tentoonstelling al het gehakketak over 'kunst of geen kunst' gelukkig achterwege. De psychologische betekenis en de innerlijke artistieke waarde van deze werken plaatste Prinzhorn nu eenmaal op gelijke voet.

Het hangt (of staat) allemaal in een sober uitgevouwen, crèmekleurige leporello-structuur, en bij elke naam hangt het door Prinzhorn opgestelde medische dossier. Niet alles is goed bewaard gebleven. Het Heidelbergse instituut beschikte niet over de nodige middelen om dit op een professionele manier te doen. Bladen werden vaak geplooid of ook verknipt op maat van kartonnen dozen of van foedralen waarin ze werden opgeborgen. Sommige pagina's werden zelfs verscheurd. Daardoor is veel informatie verloren gegaan, ontbreken handtekeningen of notities.

Als door een wonder is de collectie niet vernietigd. De nazi's maakten er gretig gebruik van in hun Mannheimer Schreckenskammer, een rondreizende expositie die aan de Entartete Kunst-tentoonstelling van 1937 in München voorafging. Ze hingen gestigmatiseerde moderne kunstwerken naast die van patiënten, waarvan er velen in de uitroeingskampen zijn omgekomen, volgens een eufemisme in het medisch verslag 'verplaatst naar een onbekend asiel'. Vijf jaar lang is, vanaf 1980, aan de archivering en de beschrijving van de collectie gewerkt. La beauté insensée is de eerste grote presentatie van de 'meesters van Heidelberg', van de collectie Prinzhorn.

In het derde deel van zijn Bildnerei bespreekt Prinzhorn het werk van tien patiënten, uit alle rangen en standen, kunstenaars en amateurs, zijn 'schizofrene meesters' die hij - wat in de bestudering van werk van krankzinnigen nog ongebruikelijk was - 'namen' meegaf. Het waren, zoals later bleek, pseudoniemen: Beil, Pohl, Klotz, Knüpfer, Moog, Sell, Brendel, Neter, Orth en Welz. Op de expositie staan die namen tussen haakjes bij hun echte naam. Ze zijn in La beauté insensée weliswaar individu, patiënt en kunstenaar, maar tegelijk ook 'afwezige kunstenaars'. Hun biografieën zijn geen gewone levensbeschrijvingen maar medische diagnoses. Hun werken blijven hoe dan ook voor sommige bezoekers nog steeds curiosa, geen kunst - al is dat gelukkig niet het uitgangspunt van de tentoonstelling.

Dalì is geen afwezige kunstenaar maar een dweper. Zijn wereld is geen zweite Welt - waar Prinzhorn naar speurde - maar een geconstrueerde mythe. Misschien is dat ook het grote verschil tussen de kunst van Prinzhorn's schizofrene meesters en het werk van beeldend kunstenaars: het verschil tussen de door een weliswaar complex maar ook ziek brein veroorzaakte 'monotonie van de pathologie' en 'de vrijheid van de kunstenaars, die de rijkdom aan betekenissen zoveel mogelijk gebruiken'. Het is een kwestie waarover Michel Foucault in zijn Geschiedenis van de waanzin heeft geschreven: de waanzinnige verkeert in de onmogelijkheid te kiezen. Zijn of haar wereldbeeld is gesloten. De waanzinnige is zowel het middelpunt van de wereld die hij of zij ziet en ervaart, als die wereld zelf.

Op groezelige stukken karton tekende Peter Meyer (Moog) zijn 'tien geboden'. Katharina Detzel danste in de instelling met haar 'man', een voddenpop met een slonzig geslacht. Hyacinth, Freiherr von Wieser (Heinrich Welz) ontwierp in zijn potloodtekeningen een 'science de la volonté'. Op een ingenieuze manier bracht Max Zierl 'observaties van een simpele geest' in kaart, indrukken van het maanlicht op het netvlies van het oog.

Ontelbaar in de collectie zijn de obsessief bijgehouden lijstjes, partituren, notities, cartografieën en kalenders, resultaten van de volgehouden zoektochten van de patiënten in hun dol geworden geest. Hun tekeningen tonen mythische wezens, oerbeelden, verbluffende visioenen, horror, perversiteiten, een warboel van symbolen en getallen. Het zijn als het ware maniëristische metamorfosen en symbolieken die, gewild of niet, als een geest uit de fles zijn ontsnapt.

Er bestaat sinds enkele jaren een meer dan buitengewone interesse voor 'de gedeelde blik', voor het onderzoek naar frappante overeenkomsten tussen de manier van tekenen of schrijven van psychiatrische patiënten, onaangepasten, marginalen en solitairen, en het moderne dichterlijke taalgebruik (de 'gestoorde tekst') of de moderne kunst. In musea krijg je de dessins écrits te zien die Antonin Artaud maakte in de inrichting van dokter Dardel in het Zwitserse Neuchâtel. Op tentoonstellingen hangen de macabere prenten van Alfred Kubin, de Weense 'Dekorateur des Untergangs' en een notoir neuroticus, of staan de met een weergaloze vaardigheid gemodelleerde mannelijke borstbeelden van Franz Xaver Messerschmidt, die beweerde 's nachts door demonen te zijn bezocht. In het 'museum voor naïeve en outsider kunst', De Stadshof in Zwolle, was onlangs nog een expositie gewijd aan Adolf Wölfli en zijn alter ego Doufi, de klassieke meester van de outsider-kunst die leed aan paranoïde schizofrenie.

De dwangmatigheid van veel werk is kenmerkend. Het is een 'gesloten wereld', waarin de patiënt rondcirkelt. Ik geloof niet dat hun imaginaire vermogen grenzeloos is, zoals je soms weleens leest, al is hun fantastische wereld zeker niet gemakkelijk de ontsluieren. Wat is hun artistieke credo? Soms blijft het maar stromen, zoals bij Wölfli, geniale paperassen met een wirwar van woorden en figuren. Maar soms is het werkelijk ook beperkt, en gaan het potlood en de verf al snel weer in de doos.

Mij echter treft - anders dan bij een gekke Dalì - de onmiskenbare blessures, de hartverscheurende maar soms ook dolkomische fantasmen die uitzonderlijke taferelen, prenten, scheppingen of objecten opleverden. Het is mischien datgene wat Breton in zijn boek Nadja 'krampachtige schoonheid' heeft genoemd, stuiptrekkingen, ontembare driften en collères, vreugde en gelukzaligheid. Niet alle schilderende en tekenende gekken zijn kunstenaars en niet alle kunstenaars zijn gek. Het is het onmiskenbare verschil. 'Ik ben een fanaticus', zei Artaud tegen het publiek tijdens zijn conférences en scheldkannonades. 'Ik ben niet gek.' De Parijzenaars gniffelden meedogenloos om Edouard Manet's Déjeuner sur l'herbe. Ze verklaarden hem gek. 'Het volk leek op enorme pompoenen die moesten lachen om de moppen van een meloen tijdens een pompoenencongres', zei zijn vriend Antonin Proust. Toen de Cobra-schilders, die zeker Prinzhorn's boek hebben ingekeken, in het Amsterdamse Stedelijk hun werk ophingen, noemden critici hun werken 'gekladder, geklets en geklodder, waanzin tot kunst verheven'.

La beauté insensée echter behoeft geen oeverloos commentaar, 'maar tolerantie' - zegt Laurent Busine, directeur van het Palais des Beaux-Arts in Charleroi. Ook dat is het grote verschil: het is 'waanzinnige schoonheid', gekte, geweld en onrust, soms suggestief en toch goeddeels of zelfs helemaal onbegrijpelijk, sublieme fantasieën van geblesseerde of in zichzelf gekeerde geesten. Misschien zijn die honderden tekeningen, op zakdoeken, stukken karton of krantepapier, vooral - in de woorden van Anton Heyboer - 'volgens een hogere algebra zijn eigen ik uitrekenen', expressie in een waanzinnig mooi schrift.

La beauté insensée. Tot en met 28 januari in het Palais des Beaux-Arts in Charleroi. Catalogus: 1400 Bfr.

Elka Spoerri e.a.: Adolf Wölfli (1864-1930). Waanders uitgevers, ¿ 25,-.

Suzette Haakma (samenstelling): Art Brut. Uitgeverij Perdu, ¿ 27,50.

Meer over