Vurrukkulluk

Vanmiddag opent Jan Wolkers in het Letterkundig Museum te Den Haag de tentoonstelling Al die dromen al die jaren, gewijd aan leven en werk van Remco Campert (1929)....

Arjan Peters

Iets dergelijks zou je ook van het literaire werk van deze 'zondagsschrijver' kunnen zeggen. Het oogt verraderlijk gewoon, en Campert zelf zal de laatste zijn om de grootheid van zijn werk te benadrukken ('Ik scheer er maar wat langs'), maar wie zijn oeuvre overziet, moet vaststellen dat de bescheiden gebaren van Campert dikwijls doeltreffend gekozen zijn.

Op de tentoonstelling zijn brieven, manuscripten, foto's en objecten te zien. Zijn regenjas bijvoorbeeld, bekend van de dichtbundel Ode aan mijn jas ('door jou, omhulsel/ ondervind ik het leven/ aan den lijve// ik groei in je vorm/ waar ik steeds meer naar sta'), kan er worden bewonderd. Maar ook een serie aquarellen die Campert in 1951 maakte, en twee robuuste schilderijen uit de jaren tachtig: 'Woest hoofd', dat hij in 1990 aan Guus Luijters schonk, en een niet minder verwilderd zelfportret dat hij in 1986 opdroeg aan 'D, op haar verjaardag'. D. is Deborah Wolf, de vierde echtgenote in Camperts leven.

We zien natuurlijk de beroemde rijmprent 'De achttien dooden' van zijn vader Jan Campert, die in 1932 scheidde van de actrice Joekie Broedelet (1903-1996). Die was overigens tot op hoge leeftijd onder andere te zien in Sesamstraat, en als lastige patiënte in Medisch Centrum West.

De plaatjes en toelichtingen zijn af en toe van een ongeremde vrolijkheid, maar meestal wordt die gedempt door een zorgelijke ondertoon of melancholieke toets. Zo de brief waarmee voormalig premier Joop den Uyl in 1984 de dichter bedankte voor diens optreden in Carré, ter gelegenheid van de 65ste verjaardag van de socialistische staatsman: 'Waarde Campert. Hoewel het gebeuren al weer bijna twee maanden achter ons ligt heb ik er toch behoefte aan u te zeggen dat ik uw optreden die middag in Carré buitengewoon heb gewaardeerd. Dat geldt de keuze van de gedichten, de wijze van voordracht en de korte inleiding. Het kwam op mij over als: ''Als jullie de poëzie ernstig nemen, ben ik bereid de politiek ernstig te nemen.'' Op die manier gebeurt er wat.' Den Uyl overleed in 1987.

Van een andere orde is de brief die Campert in 1961 toegestuurd kreeg: 'Wij hebben gehoord dat u ook een poesenliefhebber bent. Weet u nu misschien iemand die op heel korte termijn een tehuis weet voor de poes van mijn vader?' Getekend 'mw. Boas-Gronlöh', de dochter van Nescio. In de vitrine waar deze brief ligt, hebben samenstellers Daan Cartens en Erna Staal (met Aad Meinderts ook redacteur van het schrijversprentenboek, dat vandaag verschijnt) de bundel met columns Waar is Remco Campert? gelegd, en een artikel uit 1952 waarin Campert zijn kattenliefde belijdt.

'Doos voor Remco', luidt de doos die Lucebert schitterend beschilderde, 'Fles voor Remco' is een (lege) fles Ballantine's, die eveneens werd bepenseeld. Vijftiger-vriend Gerrit Kouwenaar kon niet achterblijven: van hem is het lege flesje waarin welgeteld één sigaret, en op het etiket de titel 'De laatste dagen van de zomer', gedateerd 1989. Precies zo heet een meesterlijk vers van Kouwenaar uit diens bundel Een geur van verbrande veren.

De 71-jarige schepper van 'vurrukkulluk' en 'eetlezen' (dat in Van Dale is opgenomen) schreef ook het gedicht '1975', met daarin deze regels: 'Al die dromen al die jaren/ steeds weer dat kind op 't platgebrande station/ de hoge gillen in de kazerne/ waar je stem die mooie vaas/ werd stukgetrapt.'

Meer over