Vuilnispikkers in Argentiniës tweede stad tonen keerzijde van liberaal beleid Menem 'Dit model dient wel de economie, maar niet de mens'

Hele sloppenwijken in Rosario, Argentinië, overleven op oud papier. Iedere avond als de vuilniszakken buiten worden gezet, verschijnt het schimmenleger van duizenden vuilnispikkers....

INEKE HOLTWIJK

Van onze correspondente

Ineke Holtwijk

ROSARIO

Cirujeo, vuilnispikker, is een Argentijns neologisme dat de recessie heeft geproduceerd. Je herkent cirujeos aan de grote nylonzak onder hun arm en aan hun gejaagde blik. Vuilnis sorteren is verboden en de politie neemt kar of fiets in beslag als ze je snapt. 'Zonder kar is het moeilijk werken', zegt Andres. Hij werkte in de bouw, maar toen het pand klaar was, stond hij op straat. Iedere avond gaat hij de vuilniszakken langs. 'Het is het enige wat je kunt doen als je geen werk hebt. Sinds 1990 is het niks gedaan', klaagt Rogelia, een tandeloze moeder van vier kinderen. 'Er zijn zoveel cirujeos. Je moet steeds langer lopen voor je een paar kilo hebt.'

Rogelia hoort tot de Toba, een indianenvolk, en woont al acht jaar in Rosario. Vaak hebben vuilnispikkers indiaanse trekken, want de meesten zijn migranten uit de droge Andes-provincies waar helemaal geen werk is. De exodus is vijftien jaar geleden begonnen en nog steeds arriveren iedere dag gemiddeld vijf nieuwe gezinnen. Rosario was de eerste grote stad die ze tegenkwamen. Ze weten van niets, alleen dat er in Rosario scholen zijn waar de kinderen te eten krijgen en dat het ziekenhuis gratis is. En dat als er geen werk is, ze zich in de strijd om het afval kunnen werpen.

Rosario (een miljoen inwoners) is de tweede stad van Argentinië. Een eiland van wolkenkrabbers en fabrieken in de pampa humeda, het natte en dus vruchtbaarste grasland. Een rivierhavenstad van self-made emigranten. Het Chicago van Argentinië, zegt men. Ooit ging hier meer graan op het schip dan in de haven van New York. De beste zangers van Argentinië komen er vandaan en Che Guevara werd er geboren. Maar vraag tien Argentijnen naar Rosario en negen beginnen over katten.

De kattenrel dateert van enkele weken geleden. Een televisieploeg legde vast dat de armen in Rosario bij gebrek aan beter voedsel een kat vilden. Voor veel Argentijnen die net als hun president blijven geloven dat hun land voor de eeuwwisseling tot de tien beste in de wereld zal behoren, was dat een schok. Toen bleek dat de filmploeg de sloppenwijkbewoners had betaald, was er opnieuw tumult.

Voor de kattenrel was Rosario de stad van de plunderingen. Dat was zeven jaar geleden, toen armen ten tijde van de hyperinflatie buurtwinkels leegroofden. De plunderingen rekenden definitief af met de droom van de model-industriestad van een succesvolle middenklasse. Die leeft slechts voort in de art-deco-gevels, de eetzaal van de sjieke Jockey Club en de onstuitbare reeks gedenkboeken ('In 1924 had Rosario 55 bioscopen en 35 theaters').

Sinds de plunderingen geldt Rosario als de barometer van wat Argentinië te wachten staat onder het liberale economische beleid. Aan sociale onrust wel te verstaan. Ook de Rosarinos, de inwoners van Rosario, beleven het zo. Vorige week demonstreerden de bankemployés tegen de privatisering van hun bank. Het verkeer liep vast. En onmiddellijk brak er paniek uit. 'Ze gaan plunderen.'

Rosario heeft geen sloppenwijken buiten, maar binnen de stad. Dat maakt dat er weinig nodig is voor veel tumult, analyseert Silvia Robin, politicologe. De armoede is inderdaad overal. Op braakliggende velden, verlaten fabrieksterreinen of langs het spoor zijn golfplaatdorpen verrezen, die zo armoedig zijn dat de sloppen in Rio de Janeiro er tuindorpen bij lijken.

Villa Ayolas, het wijkje van de kattenbarbecue, bestaat uit dertig hutten op een spoordijk. Beneden in de berm van een uitvalsweg functioneert de gaarkeuken. In een schriftje noteert een bewoonster wie een emmertje pap heeft meegenomen. Verderop sorteren anderen karton. Slechts vier van de 29 gezinshoofden hebben werk. De rest is cirujeo.

'Iedere week gaat er een fabriek dicht', zegt burgemeester Hermes Binner. Meestal omdat ze niet opkunnen tegen de goedkope import uit Zuidoost-Azië, die sinds de liberalisering Argentinië overspoelt. De kleine boeren worden weggeconcurreerd door de agro-industrie. 'Dit model dient de economie, niet de mens', sombert de burgemeester. Hij is steil, stug en Zwitsers. Een werker zonder franje. Als wethouder reorganiseerde hij de gezondheidszorg. Die is gratis en goed. De Rosarinos beloonden hem bij de verkiezingen.

Hij wil armen een beter leven geven, maar hoe?

Nieuwe belastingen mag hij niet invoeren. Leningen mag hij niet afsluiten. De scholen zijn van de provincie overgeheveld naar de gemeente, maar er kwam geen geld mee. Ambtenaren kan hij alleen ontslaan 'als ze met een mitrailleur op de president schieten en er tien getuigen zijn'.

Het enige dat hij als burgemeester kan doen is de dienstverlening verpachten. Maar water is onbetaalbaar geworden voor gewone mensen, sinds een Frans bedrijf de waterleidingen in concessie heeft. Bedrijven gaan over de kop door de hoge lasten. Nu staat het elektriciteitsbedrijf op de rol. 'Wat moeten we als daar hetzelfde gebeurt?'

De burgemeester is socialist. Hij is de enige in heel Argentinië en dat is een probleem. 'Ze willen ons laten mislukken', zegt Angel Sciara, een econoom met internationale ervaring die de uitdaging van socialistisch bestuur in zijn geboortestad niet wilde laten lopen en wethouder van Financiën werd. 'Ze' zijn de aanhangers van president Carlos Menem.

'Voor vrienden alles; voor vijanden de wet', is sinds de jaren vijftig en generaal Juan Peron een karakterisering van de Argentijnse politiek. De gemeenteraad, waar de Menemistas de helft van de zetels hebben, stemt alles af. De gouverneur, ook Menemista, vertraagt de rijksbijdrage met een paar dagen. Gevolg: de salarissen kunnen niet worden uitbetaald en de vakbonden (ook Menemista) gaan in staking. Huisvuil blijft liggen en burgers mopperen.

Sinds de kattenrel eisen de Menemistas dat de gemeente meer geld uitgeeft aan gaarkeukens. De provincie, kerk en gemeente betalen eten voor 75 duizend sloppenbewoners. 'Ons plafond is bereikt', zegt Sciara. Geld heeft hij niet, noch een model of oplossing. En 'honger houdt nooit op'.

Dromen ook niet. Acht jaar is hij en hij heet Marcelo Sanchez en haalt iedere avond met zijn kar papier op. Wat hij later wil doen als hij groot is? 'Werken'. Hij wil 'arbeider' worden.

Dromen houden niet op; ze gaan hoogstens op hongerregime.

Meer over