Vrouwen moeten weer iets, ook in de literatuur

Een bestseller schrijven, wie wil het niet? Vooral vrouwen schijnen er goed in te zijn. Hun uitgevers rekenen op een kudde lezersvee die van nature hongert naar waar gebeurd lief en leed....

Voorwaarde is wel dat die schrijfsters het niet al te ingewikkeld maken. Geen hoogdravende filosofische toestanden, vormexperimenten of wereldomspannende thematiek, want daar kunnen de lezeresjes niet bij. Maar ach, dat zal wel lukken – de schrijfsters zijn immers óók vrouw.

Moet je het wel willen, een bestseller schrijven? Je diskwalificeert je er onmiddellijk mee in ‘het literaire circuit’. Critici en literaire jury’s eten zich jaarlijks met lange tanden een weg door stapels stomvervelende vrouwenboeken. Elk jaar is het weer erger. Geen wonder dat vrouwen zelden grote literaire prijzen winnen of zelfs maar genomineerd worden.

Er woedt weer een discussie over ‘vrouwenboeken’. Is het een kwestie van seksisme, zoals het vrouwenblad Opzij meent, dat boeken van vrouwen zelden bekroond worden? Welnee, zegt critica en schrijfster Ingrid Hoogervorst in Trouw. Moeten die vrouwen maar niet altijd zo zeuren over alledaagse onderwerpen. Waarom schrijven ze niet eens een machtig werk van de verbeelding? Dan pas veren mannelijke juryleden op .

Hoogervorst ziet zich gesteund door de Schotse schrijfster Muriel Gray, juryvoorzitster van de Orange Broadband Prize. Ook die vond de vrouwelijke inzendingen om van te kotsen: ‘Triviale romans over typisch huishoudelijke onderwerpen – verlies van een kind, echtscheiding, klein persoonlijk leed.’ Een dood kind – toegegeven, dat is echt typisch huishoudelijk.

Nou, die zit. Vrouwen zeggen het zelf.

Het is een mismoedig makende, troebele discussie. Een gevecht tussen stromannen. De ene vogelverschrikker is een inferieur geacht genre, voor het gemak aan vrouwen toegeschreven, de andere de ongebreidelde verbeelding die meesterwerken genereert, een specifiek mannelijke gave.

Die handzame tweedeling mist iedere grond. Sinds een jaar of vijftien is er een hausse aan autobiografische romans en egodocumenten. Daar zijn briljante boeken bij, maar ook narcistische homemovies en zielige schrijfsels vol kleingeestige gekrenktheden en gejammer over verloren liefdes – zulke boeken worden opvallend vaak geschreven door mannen.

Voor mannen is autobiografisch schrijven een pré. P.F. Thomése, verklaard tegenstander van autobiografische leedliteratuur, werd door de werkelijkheid ingehaald. Hij schreef een mooi boekje over de dood van zijn dochter, Schaduwkind. Het werd terecht geprezen en in vele talen vertaald. Wat ‘dapper’dat hij deze privé-ellende durfde aan te snijden! Tussen mes en keel van Geerten Meijsing, geschreven naar aanleiding van een depressie, en Malocchio, dat bol staat van huiselijk gekeutel, werden evenmin door de kritiek afgedaan als huilerige leedshows, en al even terecht.

Zodra vrouwen zulke onderwerpen met hun toverstafjes aanraken, worden ze echter op slag banaal. Esther Jansma refereerde in haar poëzie ooit aan haar overleden kinderen. Sindsdien is ze ‘de dooiekindertjesdichteres’. Zij schrijft poëzie die het moet hebben van superieure vormgeving. Toch zetten critici haar vanzelf in het reservaat van de gevoelspoëzie; álles wat ze schrijft wordt simpelweg als autobiografisch beschouwd.

Een groot deel van de Nederlandse literatuur is min of meer autobiografisch: het werk van Gerard Reve, Jan Wolkers en F.B. Hotz bijvoorbeeld – echtscheiding en dode kinderen, almaar weer. De straf realistische roggebroden van Voskuil niet te vergeten. Maar zolang het mannen zijn vormen ze hierdoor nog geen categorie. Vrouwen wel.

Er zijn schrijfsters die doorgaans niet-autobiografisch schrijven: Doeschka Meijsing, Renate Dorrestein, Maria Stahlie, Rascha Peper. Zij hebben succes en zijn dikwijls geprezen door critici. Zij krijgen bijna dezelfde behandeling als mannelijke collega’s. Bijna, want zij vallen minder in de prijzen. Zelfs Hella Haasse heeft lang moeten wachten op erkenning. Het blijven vrouwen.

De tweedeling ‘fictief’ versus autobiografisch zegt niets over kwaliteit. Het ‘onderwerp’ doet er niet toe. Verzonnen verhalen kunnen draken zijn, druipend van vals leed. In de literatuur gaat het erom of verbeelding en stijl menselijke ervaring weten op te tillen. Dat geldt trouwens ook voor opera’s, schilderijen of balletten.

Grunbergs Tirza verdient de Librisprijs; dat heeft met seksisme niets te maken. Het is dat denigrerende, bedillerige toontje. Mannen zijn goed zoals ze zijn, vrouwen moeten weer iets, en vooral van hun seksegenoten. Literatuur lijkt het echte leven wel.

Meer over