Vrouwen met lef door de eeuwen heen

In Frankrijk is één op de twee fysici een vrouw, schrijft Frans W. Saris in De Gids. Dat komt doordat vrouwen daar, anders dan in Nederland - waar de overheid meisjes tot de exacte wetenschappen tracht te verlokken met de jubelende slogan 'Kies exact' - een lichtend voorbeeld hebben....

Nee, dat is niet de dubbele Nobelprijswinnares Marie Curie, maar haar dòchter, Irène Joliot-Curie, die samen met haar man Frédéric Joliot eveneens een Nobelprijs in de wacht sleepte (voor de ontdekking in 1931 dat met polonium kunstmatige radioactiviteit kon worden opgewekt).

Frans Saris, die zelf fysicus is en redacteur van De Gids, schetst in kort bestek het bewogen leven van Irène Curie, die zich vóór de oorlog met haar man aansloot bij het Volksfront van Léon Blum. In 1936 kreeg zij een ministerspost aangeboden die ze aanvaardde. Zo werd ze de eerste vrouwelijke minister van Frankrijk.

Na de oorlog vroeg De Gaulle haar en haar man een Commissariaat voor Kernenergie te gaan leiden, dat wil zeggen, haar man de algehele supervisie en zij de afdeling scheikunde. Samen hebben zij zich toen sterk gemaakt voor een vreedzaam gebruik van kernenergie.

Daaraan kwam een einde, toen Frédéric, die communist was, ten tijde van de Koude Oorlog Stalin in het openbaar prees. Hij werd van zijn post ontheven, waardoor de regering-Bidault de handen vrij kreeg om een eigen Franse atoombom te gaan maken ('ontwikkelen', heet dat in het jargon, een woord dat je tegenwoordig om de drie zinnen op de opiniepagina's tegen komt).

Irène bleef, vredelievend als ze was, de scheikunde beoefenen, op hoog niveau, en die positie gaf haar het gezag waarmee ze steeds weer kon bepleiten dat vrouwen, ook in de exacte wetenschappen, serieus genomen dienden te worden. In Frankrijk heeft dat kennelijk geholpen.

Het artikel van Frans Saris is een van de zeventien stukken die in dit nummer van De Gids aan vrouwen zijn gewijd. Ter sprake komen onder meer Mary Wollstonecraft, Cindy Sherman, Marina Tsvetajeva, Clara Schumann, Lenie Riefenstahl, Simone de Beauvoir, Hélène Cixous en Julia Kristeva en wat daarvan de bedoeling is wordt in een inleiding door Christel van Boheemen ex cathedra uitgelegd.

De professor werpt vragen op als: 'Is onze maatschappelijke werkelijkheid inmiddels zo veranderd dat het patriarchale scenario zijn betekeniskracht heeft verloren? Of lopen ons denken en ons zelfbeeld achter bij de ontwikkeling van de geschiedenis? Hoe bewust is de vrouw van nu zich van de zuigkracht van het intrapsychische proces? Hoe behoudt je partner zijn zelfrespect, en jij je relatie, als je meer succes hebt dan hij?'

Daar moet, vind ik, de geïnteresseerde zich maar niet door laten afschrikken, net zo min als door de titel van dit nummer: 'Strategieën in vrouwenlevens'. Wie de afzonderlijke bijdragen gaat lezen, bemerkt al spoedig dat de meeste auteurs in dit nummer veel te vertellen hebben over de hartverscheurende omstandigheden waarin vrouwen-met-lef in de afgelopen eeuwen konden komen te verkeren.

Kònden komen te verkeren, ja, want vele vrouwen die worden geportretteerd leefden lang, lang geleden, toen de man vanzelfsprekend een nog veel grotere schavuit was dan hij heden ten dage is. Jammer is ook, dat er, op Belle van Zuylen, Betje Wolff en Frida Vogels na, zo weinig Nederlandse voorbeelden worden aangehaald. Maar deze bezwaren worden ondervangen door het afdrukken van een aantal dagboekfragmenten van nu levende, Nederlandse vrouwen, zoals Winnie Sorgdrager, Anneke Brassinga en Doeschka Meijsing.

Bij zoveel vrouwelijkheid zou je haast vergeten dat er in dit nummer ook nog een stuk staat van Frits Staal, oud-hoogleraar filosofie en Zuidaziatische talen aan de Universiteit van Californië in Berkeley. Hij schrijft over de universele geleerde Sybren de Groot, die met voorbijzien van het verschil tussen alfa's en bêta's, altijd is blijven geloven in 'de eenheid der wetenschap'.

In dezelfde rubriek, 'Kroniek & kritiek' geheten, reageert H. B. G. Casimir op een aantal beschouwingen over fysici en filosofen in een eerder nummer van De Gids.

Het Nieuw Wereldtijdschrift heeft weer een gevarieerde en aantrekkelijke aflevering. Benno Barnard reist rond in de Belgische 'Oostkantons' (waar men Duits spreekt); Mark Schaevers verdiept zich in de oorlogsdagboeken van de Nederlandse communist Nico Rost en Umberto Eco gaat het 'oerfascisme' te lijf. Veel Duits oorlogsverleden dus. Maar daar blijft het niet bij. Geert Lernout vergelijkt het literaire niveau van twee lang verboden boeken, Ulysses van James Joyce en Lady Chatterley's Lover van D. H. Lawrence (twee keer raden wie wint), en er zijn behalve gedichten van Thomas Bernard en Harmen Wind pakkende verhalen van Dorothy Allison (over incest), van Marianne Wolfert (over een vrouw, haar annorexia-lijf en haar lover Rafaël) en van Koen Peeters (over Kuifje in Brussel).

Het Nieuw Wereldtijdschrift blijft door zijn over het algemeen hoge stilistische niveau een blad om met plezier te lezen, wat onverlet laat dat het, met zijn theaterrubriek, cd-rubriek (ditmaal over de jonge prima donna Cecilia Bartoli) en zijn boekrecensies, de lezer ook nog eens informéért.

In de kritische rubriek LS bespreekt Kamiel Vanhole Het leven een gebruiksaanwijzing van Georges Perec en dat doet-ie goed. Peter Nijssen las de roman Amerika van Franz Kafka, die door Willem van Toorn en Gerda Meijerink opnieuw werd vertaald. W. Hansen gaf de beide vertalers in de Volkskrant een dikke onvoldoende. Ze konden hun werk maar het beste overdoen, vond hij. Dat is Nijssen niet met hem eens, al geeft hij Hansen op een paar punten gelijk.

Willem Kuipers

De Gids, november/december 1995, ¿ 32,50;

Nieuw Wereldtijdschrift, 1995-6, ¿ 13,50.

Meer over