Vrolijkheid straalt van nieuwbouw Teylers Museum af

Uitbreiding Teylers Museum, Spaarne 16, Haarlem. Architect: H.J. Henket, interieurarchitect: Marijke van der Wijst. Ontwerp: 1990. Gereed: februari 1996...

IDS HAAGSMA; HILDE DE HAAN

'Teylers Museum is één grote, bijzondere jongenskamer', concludeerde architect Hubert-Jan Henket toen hij door dit oudste museum van Nederland had gedwaald om ideeën op te doen voor zijn ontwerp voor een uitbreiding ervan. De rijke collectie - fossielen, antieke machines, bizarre instrumenten, achttiende- en negentiende-eeuwse boeken, schilderijen, tekeningen en prenten - was geconserveerd in een gebouw waarin de tijd al honderd jaar stil leek te staan. Donkere zalen met uitsluitend daglicht, oeroude kasten en vitrines. Die sfeer maakte het museum 'een tijdmachine, die de bezoeker op een heel ongekunstelde manier terugbrengt naar de chique en verzorgde sfeer van een negentiende-eeuws museum', aldus Henket.

Was het maar waar. Het Teylers Museum in Haarlem was vooral een ingeslapen zooitje. Een Doornroosje van fabelachtige schoonheid, maar zo doods als een pier. In de negentiende eeuw bruiste het er van leven. Al die interessante machines die nu zijn weggestopt achter glas, werden toen voor elke geïnteresseerde bezoeker gedemonstreerd; de boeken werden gelezen en uitsluitend de modernste technische uitvindingen werden aangekocht - een microscoop van Anthonie van Leeuwenhoek werd te ouderwets bevonden. Er werden lezingen gegeven en de directie reisde stad en land af voor de meest spectaculaire aankopen.

Dat was het Teylers Museum in zijn bloeitijd. Omdat van die levendigheid na een zuinige twintigste eeuw vrijwel niets meer over was, werd in 1990 een architectuurprijsvraag georganiseerd voor een uitbreiding die het mogelijk zou maken de achterstand in te halen die ten opzichte van andere musea was ontstaan. Een uitermate lastige opgave. Niet alleen omdat het museum zelf oud en kwetsbaar is, maar omdat het staat in een van de mooiste binnensteden van Nederland, waar voortdurend is gewoekerd met ruimte, waar in de loop van eeuwen allerlei bouwwerken min of meer voorzichtig in het middeleeuwse stratenpatroon zijn neergezet.

Dat gold ook voor het drukkerscomplex van Enschedé dat, direct naast het Teylers Museum, vanaf 1760 uitgroeide tot een unieke aaneenschakeling van industriële bouwwerken. Nu dat complex is gesloopt en de stad ter plekke door een grof blok twintigste-eeuwse projectontwikkelaars-architectuur overwoekerd dreigt te worden, is het des te belangrijker dat het Teylers Museum, met zijn historische opbouw, ongeschonden blijft bestaan.

Want ook de gebouwen van het Teylers Museum vormen een uniek, in de loop der eeuwen gecomponeerd geheel. De grondlegger is textielfabrikant Pieter Teyler Van der Hulst (1702-1778), die besloot dat een deel van zijn fortuin na zijn dood moest worden aangewend voor 'het verspreiden van kunst en wetenschap onder de bevolking van Haarlem'. In 1778 werd de Teylers Stichting opgericht en een voortvarende directie gaf meteen opdracht aan architect Leendert Viervant om achter Teylers woonhuis aan de Damstraat een geschikt gebouw te maken voor de collectie die zij in allerijl aankocht.

Viervant ontwierp de beroemde ovale zaal, nog steeds het hart van het museum, die bekroond werd met een sterrenwacht. In 1870 werd tot een grote uitbreiding besloten. De Weense architect Christian Ulrich ontwierp een groot nieuw entreegebouw dat haaks op de as tussen het fundatiehuis en de ovale zaal werd gesitueerd. De voorgevel kwam direct aan het Spaarne te staan; een uitbundige klomp natuursteen vol klassieke ornamenten waarvan de sfeer werd voortgezet in een koepelvormige hal, en een tentoonstellingsgebouw met twee fossielenzalen, een instrumentenzaal, een indrukwekkende gehoorzaal en een prachtige bibliotheek.

In de negentiende eeuw werden nog twee schilderijenzalen gebouwd die, met Ulrichs gebouw, een museumtuin begrensden. Deze tuin, vermoedelijk naar het ontwerp van Zocher, was ooit bedoeld om 'een illusie van het onbegrensde' te scheppen. Maar het museum had voorlopig de grenzen van zijn expansie bereikt. In deze vorm bleef het museum bestaan. De aantallen bezoekers namen toe maar nieuwe aankopen waren er niet meer bij.

Tot het rijk in 1982 aan Teylers het predikaat 'museum van nationaal belang' verleende. Dat betekende dat er geld beschikbaar kwam, zoveel zelfs dat het mogelijk werd de omvang van het museum met 50 procent uit te breiden. Lang gekoesterde wensen kwamen binnen bereik, zoals een prentenkabinet, een cafetaria, een zaal voor wisselexposities, een voorlichtingsruimte, goede werkruimtes en restauratie-ateliers.

Het perspectief van al die nieuwe mogelijkheden moet de medewerkers van het Teylers Museum vrolijk hebben gemaakt. Want dát gevoel, dat na decennia beknibbelen de boel weer goed kon worden aangepakt, is van de nieuwbouw af te lezen. Het ontwerp waarmee Henket in 1990 de prijsvraag won, was tam vergeleken bij het gebouw dat er uiteindelijk staat. Henket zag de oplossing in drie simpele paviljoens die zich in z-vorm tussen de oude gebouwen voegden. Ze leken zich aanvankelijk weg te cijferen bij het oude Teylers, er dienstbaar aan te zijn.

Datgene wat in de werkelijkheid is uitgevoerd, is zelfverzekerder. Misschien komt dat doordat Henket, voor hij aan die nieuwbouw begon, eerst een verbouwing moest verzorgen. Zodra het rijk met geld over de brug kwam, had de museumdirectie meteen een bestaand gebouw gekocht: het voormalig gebouw van de Dienst Zegelwaarden - het enige deel van het Enschedécomplex dat is blijven bestaan. Dit gebouw werd door Henket vindingrijk verbouwd tot werk- en opslagruimtes. In de tussentijd moet hij de sfeer van het museum grondig hebben opgesnoven.

Henket is zijn opdracht in de loop van het ontwerpproces steeds beter gaan begrijpen. Hij durfde uiteindelijk de nieuwbouw een spannend spel te laten aangaan met de oude gebouwen. Soms door een tegenstelling te creëren: terwijl de oude zalen een streng gesloten karakter hebben, zijn de paviljoens extra open geworden. Soms door de oude gebouwen extra respect te betonen: het paviljoen waar een voorlichtingscentrum wordt ingericht koekeloert parmantig achter de oude schilderijenzalen vandaan en biedt zo een blik op de sterrenwacht bovenop de ovale zaal; een uitzicht dat vrijwel nergens mogelijk is. Zo is er ook in een nieuwe gang een doorkijkje naar de oude collectie ingebouwd die deze letterlijk in een ander daglicht plaatst.

Maar vooral in de detaillering is te merken dat Henket, gaandeweg, de opdracht tot in de toppen van zijn vingers ging beheersen. Dat komt al tot uiting in de maatvoering. De glazen gevels, het zinken dak, de gelamineerde houten liggers en de stalen kolommen zijn zorgvuldig zo geplaatst dat ze harmoniëren met hun omgeving. Toch zijn ze ook zelfverzekerd modern.

De fascinatie voor de nieuwste techniek, die ooit de grondslag was voor het hele museum, is in de nieuwe paviljoens aanwezig. Niets getuigt daarvan sterker dan de lignostone staanders in de glasgevels: prachtig gevormde elementen van hout dat op zo'n manier is bewerkt dat het zich in kracht met staal kan meten. Deze staanders bepalen het beeld in alle verbindingsruimtes en het café; zij roepen herinneringen op aan de negentiende-eeuwse aandacht voor details die in het oude Teylers is te vinden. Tegelijkertijd doen ze denken aan de oude bomen in de tuin die gespaard moesten blijven, en die de ruimte voor de nieuwbouw beperkten.

De staanders vervolmaken bovendien het beeld dat het Teylers Museum is verrijkt met de beste dingen die de twintigste eeuw heeft voortgebracht. De nieuwbouw van Teylers blijft bescheiden, maar zal toch een troost zijn als het museum ooit die buurman krijgt die het slechtste van deze eeuw laat zien.

Ids Haagsma

Hilde de Haan

Meer over