Vrijpostig en licht babbelziek

HET IS EEN mooie en onthullende zin, de zin waarmee Constantijn Huygens begin september 1653 zijn brief aan Utricia Swann begint....

Op zichzelf is het daarom niets bijzonders dat Huygens zich ook in deze brief uitput in hoffelijkheden waarin algemene wijsheden over het menselijk gedrag of de vrouwelijke natuur het verende materiaal vormen tussen de min of meer zakelijke mededelingen. Alleen voor wie weet wat Huygens in die septembermaand nog meer te doen had, krijgen vooral die observaties over wat hij wel en niet denkt te kunnen bereiken bij zijn vrouwelijke correspondentievriendin, zijn afwisselend enigszins oubollige en uitdagende opmerkingen over vrouwen, een extra betekenis.

Want september 1653, dat is de maand waarin Huygens werkte aan Trijntje Cornelis, het enige toneelstuk dat hij schreef, en in die Trijntje heeft Huygens een portret nagelaten van een bij uitstek ondernemende en vrijgevochten vrouw. Ze is bovendien een vrouw die je gemakkelijk tot de enigszins bedremmelde levensovertuiging van 'that Roman poet' zou kunnen bewegen, want zelden zit ze in het stuk van Huygens om een tekst verlegen. Ze is een Zaanse schippersvrouw, die een van de zakelijke reizen van haar echtgenoot aangrijpt om eens aan haar dagelijkse sleur te ontsnappen. Zodra het schip van haar echtgenoot in Antwerpen aanmeert, verlaat ze het vooronder en gaat in die vreemde stad op onderzoek uit, nieuwgierig, vrijpostig en licht babbelziek.

Dat brengt haar in de neteligste problemen; ze wordt gepaaid door een hoerenmadam, dronken gevoerd en ten slotte beroofd van haar geld en goed - en haar eerbaarheid. Maar sprakeloos is ze ook dan niet. Ze blijft de zelfbewuste Hollandse volksvrouw, het type dat we ook uit Huygens' epigrammen zo goed kennen en waarvan hij blijkbaar zo gecharmeerd was.

Huygens schreef zijn klucht in een vloek en een zucht: hij meldt op zaterdag 20 september 1653 aan het stuk te zijn begonnen. Hij schreef er in de week tot en met de volgende zaterdag 1155 regels van, rondde het af met een epiloog, maar bedacht na het weekend dat het stuk toch ook moest voldoen aan de vormeisen voor een klassieke komedie en daarom vijf bedrijven moest hebben. Dus voegde hij nog een paar honderd regels toe aan de bestaande tekst, werkte de opgebouwde handeling af met een slot waarin zijn hoofdrolspeelster wraak mocht nemen op de personages die haar in het eerste bedrijf te grazen hadden genomen, schoof de epiloog door en sloot af op regel 1572.

Het stuk is, kortom, in hoog tempo tot stand gekomen, in haast bijna. Je bent geneigd te denken dat hij het ook nauwelijks meer heeft overgelezen nadat hij het geschreven had - althans niet op zijn innerlijke samenhang en het evenwicht tussen de verschillende bedrijven. Dat hoge tempo is kenmerkend voor veel van Huygens' werk. Hij had het gedurende een groot deel van zijn leven veel te druk om erg veel tijd te kunnen vrijmaken voor zijn letterkundige werk, of voor zijn wetenschappelijke en muzikale hobby's. Huygens was een melancholicus, zo weten wij uit zijn talrijke schitterende brieven en uit minstens zoveel zelfbespiegelende gedichten.

Hard werken had een heilzaam effect op hem. In een van zijn rijmen stelt hij zelfs dat hij zonder zijn overvolle dagen veel minder zou hebben uitgespookt, juist ook op letterkundig gebied. 'Gij vraagt, hoe ik zo veel gedicht heb, en geschreven', staat daar, 'door al de bezigheid waar men mij lang in zag?/ Wil de mens niet altoos al wat hij niet en mag?/ Had ik meer tijd gehad, ik had veel min bedreven.'

Voor de theatermaker die Trijntje Cornelis wil ensceneren - zoals Hans Croiset, die Trijntje Cornelis regisseerde bij Het Toneel Speelt; zijn versie reist dezer maanden door het land - levert Huygens' werkwijze een aantal lastige problemen op. Maar zijn lezer kan zich al spoedig niet meer aan Huygens' aanstekelijke tempo onttrekken. Het verhaal van dat hilarisch uit de hand gelopen uitstapje in de Antwerpse binnenstad op zichzelf is gauw verteld, maar wat het zo aangenaam maakt, is dat Huygens geprobeerd heeft het weer te geven in de taal van zijn personages. En dus spreekt Trijntje een soort Hollands dialect en spreken de Antwerpse gauwdieven plat Antwerps, beide stevig gekruid met de bloemrijke verbeelding van de straat en de kaai. Dat vereenvoudigt de lectuur er drieëneenhalve eeuw later niet op en daarom is in deze editie een integrale vertaling opgenomen van de Vlaming Paul Verhuyck.

Helemaal bevredigen doet zo'n vertaling nooit: het zeventiende-eeuwse Nederlands heeft te veel charmante eigenaardigheden om de overgave aan gemakzucht zonder spijtige bijgedachten te laten plaatsvinden.

In deze editie staan origineel en vertaling gelukkig netjes naast elkaar en wordt lezen dus heen en weer springen tussen de stugge maar sappige taal van toen en de soepele maar enigszins ontsmette van thans. Uit de interferentie van klank en sfeer aan de ene kant en begrip aan de andere ontstaat het beeld van die nimmer zwijgende vrouw, het kleine monumentje dat Huygens oprichtte voor de pronte volksvrouwen van zijn tijd.

Michaël Zeeman

Constantijn Huygens: Trijntje Cornelis.

Vertaald door Paul Verhuyck, bezorgd en ingeleid door Harrie Hermkens.

Bert Bakker; 214 pagina's; ¿ 34,90.

ISBN 90 351 1919 3.

Meer over