Column

Vreemde mannen zijn nu eenmaal het leukst

Eva Hoeke vertelt over haar vader Rob.

Rob Hoeke Beeld anp
Rob HoekeBeeld anp

Bij de post zat een stapel foto's van het laatste concert dat mijn vader ooit gaf. Hij was pianist in een tijd dat je met muziek nog je dagelijks brood kon verdienen. Boogiewoogie en blues, je hoort het niet veel meer. De foto's trokken me een andere wereld in, een van zeventien jaar terug en nog veel verder.

Mijn vader was geen normale vader.

Hij ging niet naar kantoor.

Zijn haar was lang en om zijn hoofd zat een band.

Aan zijn linkerhand had hij drie en een halve vinger, het resultaat van een draaiende motor, een vallende radiateurdop en een fatale reflex. 'O, zei hij dat?', zei de man in de kroeg geamuseerd, het was de eerste keer dat ik vraagtekens plaatste bij de mythe.

Hij sliep overdag en werkte 's nachts.

Hij dronk jenever met sinas uit een longdrinkglas, als kind nam ik er eens een flinke slok van - limonade ziet er hetzelfde uit.

Bij de verhuizing naar het dorp verzamelden de buren handtekeningen: geen artiest in de straat. Ze keerden op hun schreden terug toen bleek dat onder dat onorthodoxe exterieur een Heemsteedse opvoeding schuil ging.

Als moeder eens weg was, bestond het ontbijt uit rare dingen, van koek tot soep en servetten aan toe. Glunderend zat hij erbij, sigaret in de hand, slempie op tafel.

Hij kwam nooit kijken bij schooloptredens, balletuitvoeringen, paardrijclubjes. Bang dat hij leuk moest doen, bang voor verwachtingen.

Wel bracht hij ons een paar keer per jaar met de auto naar school. Toeterend door het dorp, zwaaiend naar vreemden, nog net door rood licht, met gierende banden over de spoorweg en een zwik vriendjes en vriendinnetjes op de achterbank die het daar jaren later nog over hadden.

Als hij iets mooi vond, vloekte hij.

Als hij boos was ook. Hij vloekte voor elk optreden, grauwend en godverend ging hij door het huis.

'Laat hem maar', zei mama.

Als hij speelde, speelde hij met heel zijn hebben en houwen, dichtgeknepen ogen, rammende jatten, zweten en zwoegen, compleet van de wereld. Nu noemen we dat authentiek, maar als kind schaamde ik me ervoor, zoals ik me ook schaamde voor de HEMA-worst die hij met Kerst op de voordeur hing. De buren hadden een echte krans.

Nu schaam ik me dat ik me daarvoor schaamde.

Op zijn 16de riep hij me bij zich, hier, moet je lezen. Ik keek naar de beduimelde pocket met de titel Allemaal onzin en ging weer naar boven, pas later zag ik hoe goed Carmiggelt was.

Maar toen was hij al dood.

Gister was het zestien jaar geleden dat hij overleed, en soms zie ik hem ineens weer voorbijkomen.

Als De Man vloekend en tierend zit te tikken.

Als er naast aardappelen en groenten winegums op mijn bord liggen.

Als ik hem door de babyfoon hoor praten over Dochters broekje: 'Ah, een H&M'tje, gemaakt door leeftijdgenootjes.'

Als De Dochter vervolgens beneden komt met twee benen in één broekspijp.

Als ze dan toch naar hem zit te lachen.

Als ik om vier uur 's nachts moet plassen en hij met een fles rode wijn naar een docu over de Tweede Wereldoorlog zit te kijken.

Als hij 'Kom je ook?', zegt en ik dan inderdaad ga zitten, tijd, slaap en verstand negerend, omdat ik die fout niet nog een keer maak.

Je valt op je vader, het klinkt erger dan het is.

Vreemde mannen zijn nu eenmaal het leukst.

eva.hoeke@volkskrant.nl

Meer over