Vreemd, een halve brief

Schrijvers van detectives voor de jeugd zijn meestal maar op één ding uit: spanning...

Dit streven eist hun aandacht zozeer op dat ze niet aan andere dingen toekomen.

Het wemelt dan ook vaak van de tegenstrijdigheden in hun weinig geloofwaardige hersenspinsels. Zelden heeft hun verhaal een doordachte plot, is het op een bijzondere manier gecomponeerd, of springt het eruit door opvallend en zorgvuldig taalgebruik.

Sinds kort is er een duo dat wél van wanten weet. Het zijn de dames Abbing & Van Cleeff. Hun nieuwste boek, Wespeneiland, is weer een schot in de roos.

In grote lijnen behelst het verhaal het volgende: Na een vakantie met hun ouders op het eiland Darskyl blijven de zusjes Isa en Edith achter onder de hoede van een filmregisseur, samen met een jongen die ze daar hebben ontmoet. De drie kinderen mogen meespelen in een film, maar ze hoeven slechts in één scène op te treden en die kan alleen bij bepaalde weersomstandigheden worden opgenomen. Daardoor hebben ze de tijd om op onderzoek uit te gaan nadat ze iets merkwaardigs hebben ontdekt: een halve brief, waarin iemand zijn (of haar) angst uitspreekt. Voor wat?

De kinderen ontmoeten David, die met een been in het gips zit. Het lijkt alsof zijn overbezorgde tante er alles aan probeert te doen de kinderen bij hem weg te houden. Wat speelt zich af in het laboratorium, waar de oom van David filmtrucages voorbereidt en dieren traint?

Met de grootst mogelijke precisie ontvouwen Abbing & Van Cleeff hun intrige. Aan het eind blijven geen losse verhaaldraadjes over. Achteraf kan de lezer wel zien waar ontwikkelingen in het verhaal worden voorbereid, maar niets is gemakkelijk voorspelbaar. Halverwege is wel duidelijk wie niet te vertrouwen is, maar van sommige personages weet je tot 't laatst toe niet hoe het zit met hun rol in het geheel.

Met het eerste boek van Abbing & Van Cleeff, Struisvogelkoorts (1996), was het meteen raak. Terwijl de rage van de Tamagotchi op zijn hoogtepunt was, schreven de dames een adembenemende thriller, waarin soortgelijke elektronische Japanse figuurtjes een bizarre rol spelen. Twee kinderen ontdekken dat een duistere organisatie kinderen misbruikt voor 'wetenschappelijke' doeleinden met behulp van elektronische struisvogels.

De schrijfsters kregen bekendheid door De zwarte rugzak (1997), waarvoor zij een Zilveren Griffel mochten ontvangen. In dat boek zijn vijf kinderen tussen de acht en de veertien jaar onderweg naar Frankrijk, om deel te nemen aan een vakantiekamp. Aangekomen op het station, besluiten ze niet met de grote groep mee te gaan, maar er met elkaar op uit te trekken. Ze vermoeden niet dat dit het begin is van een gevaarlijk avontuur.

Ook dit boek is opvallend goed van compositie. Maar nog opvallender is dat het duo clichés weet te vermijden en er voor de lezers na een bevredigende afwikkeling nog genoeg overblijft om over na te denken.

Abbing & Van Cleeff scheppen voor ieder verhaal nieuwe hoofdpersonen, iets wat evenmin gebruikelijk is in dit genre. Denk aan Enid Blyton en haar serie over 'De vijf', een formule die ze eindeloos wist uit te melken. Meestal hebben hoofdpersonen in jeugddetectives een nogal zwart-wit getekend karakter. Deze schrijfsters maken van hun personages jonge mensen van vlees en bloed, die in de loop van het verhaal veranderen en groeien.

Het is een verademing om tussen zoveel bloedeloze thrillers en horrorverhalen zulk goed geschreven werk te vinden, dat de honger naar spanning en avontuur weet te stillen.

Meer over