Vragen rond het dossier-Bouterse blijven onbeantwoord

HET DRUGSPROCES tegen de Surinaamse oud-legerleider Desi Bouterse, dat maandag in Den Haag begint, is een markant moment in de lange geschiedenis van Nederland en Suriname....

In de straten van Paramaribo is de naam van voormalig procureur-generaal Docters van Leeuwen tegenwoordig bekender dan die van de eigen justitiële hoofdambtenaren. En voor de regering-Wijdenbosch is het Haagse proces-Bouterse een serieuze bedreiging. Zelfs de gewone, apolitieke ontwikkelingsrelatie met Nederland is er tijdelijk door verlamd. Alleen de decembermoorden van 1981 hadden een vergelijkend effect.

De justitiële jacht op Desi Bouterse is dus van historische belang, en dat is voldoende reden voor de uitgave van inmiddels twee boeken over de zaak. Na ruim tien jaar speculatie over Bouterse en drugs zijn we toe aan een grondige uitleg van waar het in dit dossier precies om gaat. Heeft justitie een waterdichte zaak of gaat het erom spannen? Hoeveel politiek zit er in de Haagse aanklacht tegen Bouterse? Zat Nederland te wachten op een gelegenheid om zijn frustratie te uiten over de nooit vervolgde decembermoorden, of is het proces toch een gewone drugszaak tegen een weliswaar bijzondere verdachte?

Het antwoord op die vragen is niet te vinden in Baas Bouterse van NRC-journalist Marcel Haenen en ook niet in De jacht op Desi Bouterse van Telegraaf-journalist John van den Heuvel. En dat is ook niet zo verwonderlijk voor boeken die in de winkel moesten liggen vóórdat er in het openbare proces ook maar een woord is gesproken.

De ontwikkelingen in de zaak-Bouterse staan niet stil. Sinds het verschijnen van de boeken is de vervolging tegen de belangrijkste medeverdachte (bankpresident Henk Goedschalk) gestaakt wegens gebrek aan bewijs. De vervolging van Bouterse wordt wellicht tijdelijk geschorst en twee majeure beschuldigingen zijn uit zijn dagvaarding verdwenen.

Hoe hard de overige aantijgingen zijn, zal pas de komende maanden tijdens het proces blijken. Een 'jachtpartij' eindigt wanneer de prooi is geschoten, maar dat geduld hebben de uitgevers zich kennelijk niet gegund.

Resteert de aanloop naar het verhaal. De vervolging van Bouterse is een voor Nederland zeldzame mengeling van justitiële en politieke overwegingen. Wie heeft dat mengsel gebrouwen en hoe kwam het tot stand? Over dat onderwerp valt iets meer te vertellen, hoewel het in beide boeken blijft bij theorieën.

Ze citeren bladzijden lang het verslag van de parlementaire enquêtecommissie van Van Traa uit 1995, waar toenmalig officier van justitie C. van der Voort zijn frustratie verwoordde over de politieke invloed op het dossier-Bouterse. Waar die invloed uit bestond, wilde de commissie weten. Het is meer een gevoel, antwoordde de officier.

Ook later tijdens een vertrouwelijk verhoor door de rechter-commissaris herhaalt hij zijn indrukken en gevoelens, zonder precies te kunnen aanwijzen waarop ze zijn gebaseerd.

Haenen gelooft méér dan zijn collega Van den Heuvel in een complot. Hij citeert anonieme 'topambtenaren die Sorgdrager als bewindsvrouw hebben meegemaakt', die beweren dat de minister het dossier-Bouterse steeds beschouwde als een vervelende erfenis van haar voorganger Hirsch Ballin. Een dossier dat vanwege de talloze complicaties beter kon worden gemist.

In het begin van 1996 gaf Sorgdrager een tijdelijke aanwijzing aan het opsporingsteam om zich vanwege de Surinaamse verkiezingen even koest te houden, schrijft Haenen. Bij Van den Heuvel lezen we echter dat die aanwijzing geen vertragende werking heeft gehad. 'Want', aldus Van der Voort, 'er moest immers toch worden gewacht op het rechtsgeldig betekenen van gerechtelijke stukken in Suriname.'

Nergens in de boeken blijkt dat de schrijvers erin geslaagd zijn de betrokken politici te ondervragen over hun motieven. Dat is een vitaal gemis. Behalve de ex-ministers van Justitie Hirsch Ballin en Sorgdrager heeft ook oud-minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken wel wat uit te leggen over zijn rol in het Bouterse-debat. De auteurs hebben zich nu moeten behelpen met goedgevulde knipselmappen.

Op basis daarvan lijkt opnieuw NRC-journalist Haenen wel in een geheime agenda van Van Mierlo te geloven, terwijl zijn Telegraaf-collega de bewindsman het voordeel van de twijfel gunt. Hij denkt meer aan een 'krampachtige manier van verdedigen, waarmee Van Mierlo een stroom van geruchten en mythes in werking zet die de bewindsman lang achtervolgt'. Dat Van Mierlo genuanceerder denkt over Suriname en Bouterse dan de meeste Nederlanders, heeft hem in dit dossier sowieso niet erg geholpen, is de conclusie.

Ook verder heeft de Telegraaf-verslaggever meer aandacht voor de nuances en meningen over het dossier van Justitie dan zijn NRC-collega. Hij citeert vrijelijk uit de processtukken, maar laat de advcocaten van de vier (inmiddels drie) beklaagden ook uitvoerig aan het woord. Ook geeft hij een ruimere schets van de Surinaamse politieke geschiedenis die tot de geboorte van het 'Suri-kartel' heeft geleid.

Dat is een verrassende omkering van de vooroordelen die over beide dagbladen bestaan. De stijlbloemen daarentegen zijn nog volop De Telegraaf, vooral waar een 'adembenemde schat aan informatie' wordt beloofd en het proces als de welbekende 'onvervalste thriller' wordt aangekondigd. Dan leest Haenen ('Bouterse zit te toepen als het misgaat.') wel wat lekkerder weg.

Van den Heuvel heeft eerder een biografie van Bouterse-advocaat Moszkowitcz geschreven. Haenen heeft, zo blijkt uit zijn relaas, een diepgaande relatie opgebouwd met onderzoekers uit het justitiële onderzoeksteam, waardoor de rechercheurs met hun wantrouwen jegens de politiek het publieke debat over de affaire-Bouterse konden meebepalen. Die achtergrond helpt de toon van beide boeken verklaren, maar heeft kennelijk ook een meer afstandelijke analyse van de 'krankzinnige klopjacht' op Desi Bouterse in de weg gestaan.

Dat andere boek moet zeker nog eens worden geschreven. Liefst na afloop van het proces en na raadpleging van tot dusver zwijgende partijen.

Meer over