Vraag naar Mister Reed

Geen plek zo tropisch als de Corn Islands, eilandjes met piraten en kreeft – rode én witte. Eric van den Berg leert dat Nicaragua niet meer het land wil zijn van de contraoorlog....

Bij de enorme witgekalkte 3 en 0 begint het schoolplein. Of dorpsplein. Kinderen in blauw-wit uniform spelen er tikkertje, anderen hangen nog wat rond voordat vlucht 148 landt. Dan gaan de hekken dicht, en wordt het stuk asfalt bewaakt door militairen.

Het is een van de weinige activiteiten waar je op de Corn Islands de klok gelijk op kunt zetten (als er geen subtropische storm raast): de twee vluchten van en naar het vasteland van Nicaragua. Een om acht uur ’s ochtends en een om half vier ’s middags. Daarvoor, -na, en –tussen is de landingsbaan van iedereen. Je flaneert er tussen de grote op de grond gekalkte getallen die zijn bedoeld voor piloten.

Zo klein is Big Corn: de airstrip van het vliegveldje doorklieft het eiland. Wie van de Kokosnootbroodbakker naar Mount Pleasant wil, loopt of fietst niet om. Die steekt het vliegveldje over. Wie dringend een brief in Managua wil hebben, geeft hem aan de piloot, want een postkantoor is hier niet. Wel een honkbalstadion – maar dat heeft nog geen licht, dus met goed fatsoen kunnen ze hier het team van Bluefields, de dichtstbijzijnde stad aan de Caribische Zee, niet uitnodigen.

Maar wat zal het. Het gaat zoals het gaat op Big Corn en Little Corn, het Grote Maïseiland (10 vierkante kilometer, 6000 inwoners) en het Kleine Maïseiland (2,5 vierkante kilometer, 500 inwoners). ‘We zouden een behoorlijk honkbalteam kunnen hebben, we hebben goeie atleten’, zegt Alex Dixon, ex-visser en sinds kort ook ex-burgemeester. ‘Het schort hier aan discipline. Dat wordt nooit wat.’

Het gaat zoals het gaat. Vraag aan het barmeisje van Sunset Veranda om een glaasje Flor de Caña, de beroemde Nicaraguaanse rum, ze antwoordt ‘dat doen we enkel per fles, misschien kun je het aan de overkant proberen’, en ze draait zich om. Later lacht ze je toe, als je nietsvermoedend de wc-deur omver duwt. Er staat een cassettebandje op met wat vervormde reggae; aan een tafel speelt een dronken gitarist er luid tegenin, de paar mensen in het café luisteren naar alles door elkaar.

‘Aan de overkant’, bij Fisher’s Cave, breekt de lach van de serveerster ook pas ná de vis door, maar daar heeft de lokale singer/songwriter Melvin, uit Picnic Beach, de toon al gezet. Met zijn eigen reggaedeuntjes, die volgens het hele eiland nodig aan vervanging toe zijn: You are welcome, welcome, welcome. We receive you in a special way. I love the girls, the coconut water, and the white rum... Dan buigt hij lachend en gaat met zijn cordoba’s, wat munten en briefjes, inderdaad rum kopen.

De verklaring voor dit alles staat op de T-shirts die restaurant/duikcentrum Nautilus verkoopt: ‘Nicaragua goes Caribbean’. De Corn Islands vormen een vreemd stukje Nicaragua. De eilanden zijn altijd buiten het bereik gebleven van de Spaanse kolonisten; het waren de Britten die hier de grootste invloed hadden. Eind 17de-eeuw zagen piraten (uit Engeland, Frankrijk en ook Nederland) de eilanden als een ideale uitvalsbasis voor aanvallen op de Spaanse vloot. Ze begonnen suiker- en katoenplantages en importeerden Afrikaanse slaven uit Jamaica. Pas eind 19de eeuw eindige het Britse protectoraat en kreeg Nicaragua grip op de twee eilanden.

Dus niet Spaans is hier de eerste taal, maar creools Engels. Wat klinkt als Everybody towk. Yeah, yeah. Joe sjoer? (Iedereen praat. Ja, ja. Weet je het zeker?) De bevolking is wat je noemt multi-etnisch: creolen (afro-Europeanen), blanken, miskito-indianen, mestiezen. En zelfs op dit kleine eiland leven ze behoorlijk gescheiden. De stemming: de creolen zeggen dat de miskito’s er overal een rotzooi van maken, en de miskito’s zeggen dat de creolen liever lui dan moe zijn.

Eigenlijk is iedereen een mix. De meeste achternamen zijn te herleiden tot de families die hier vroeger de lakens uitdeelden, met of zonder slaven. Michael Quinn was de eerste kolonist, en daarna kwamen de Dixons, de Downs, de Hodgsons, de Morgans. Niet verwonderlijk dat de eigenaar van visfabriek Pasenic George Morgan heet, al weet hij zelf niet of hij direct afstammeling is van de beruchte kapitein Henry Morgan. ‘Ik ben slechts een visser’, zegt de forse man. ‘En ik leef ook als een visser.’ Zij het wel met een bewaker-met-mitrailleur bij zijn tuinhek.

George Morgan (69) – zijn opa aan vaders kant is zwart, zijn oma is voor driekwart wit, en zijn opa aan moeders kant is Iers - is de ongekroonde koning van de eilanden. De reden is simpel: hij is veruit de belangrijkste werkgever. Hij heeft honderd man in dienst, concurrent CAF heeft er zestig, en het gemeentehuis veertig. Een paar hotels hebben nog wat baantjes, en wat leraren kunnen er aan de slag. Meer werk is er niet.

Met de kreeftvangst gaat het ook al slecht; de prijs is binnen een paar maanden gedaald van 15 naar 9 dollar per pond, en er is een quotum ingesteld. Met de vangst van de ‘white lobster’, de witte kreeft, gaat het een stuk beter: dat is cocaïne die Colombiaanse handelaren overboord gooien als ze achterna worden gezeten door de Amerikaanse marine. Altijd interessant voor werkloze vissers. ‘Ik vis er niet speciaal op, maar als ik iets in mijn netten krijg, houd ik het’, zegt Julian, die rondhangt bij zijn bootje Endicott. ‘Ik zweer je: niemand laat dat lopen. Het is zó veel geld. Vierduizend dollar voor een pakketje.’

Rode kreeft, witte kreeft – meer is er niet. Behalve dan palmbomen, hangmatten, witte stranden, snorkelen, vis, kokosnoten en reggae.

‘Toerisme moet onze redding zijn’, beseft Dixon (een zwarte man van 45, zijn oma is een Quinn). Hét probleem: geld. De twee eilanden moeten het jaarlijks doen met 18 miljoen cordoba, nog geen 700 duizend euro. Dus kan er niets worden gedaan tegen de erosie van de kustlijn, zit een riolering er voorlopig niet in, en hoeven toeristen niet te rekenen op een uitbreiding van het vliegveld. Een Boeing kan hier niet landen.

Dan is er nog Mount Pleasant. Gezellige naam, maar boven op de heuvel is het een grote vuilstort. Al het afval blijft op het eiland, want ja, geen geld. Dixon: ‘Als we echt meer toeristen hier willen krijgen, moeten we iets aan het afvalprobleem doen. We hebben maar één vuilniswagen. En die is af en toe stuk omdat de weg zo slecht is.’

En aan recyclen doen ze niet op Big Corn. Waar ze op Little Corn, op 25 minuten per panga, een snel, open vissersbootje, over schamperen. ‘Ach, het is daar overbevolkt’, moppert Twyla Bryan (43), eigenaresse van Habana Libre, een restaurant aan het hoofdvoetpad. ‘Zij hebben geen afvalbakken, de miskito’s gooien overal hun afval maar neer’, zegt de creoolse vrouw. ‘Wij hebben overal bakken staan. Gescheiden afval! Ik wil niets met Big Corn te maken hebben. Ik ga er enkel heen voor boodschappen. De vroege panga heen, en zo snel mogelijk weer terug.’

Wat de sfeer tekent op Little Corn. Vijfhonderd man en wat toeristen op Iguana Beach. Geen auto’s enkel fietsen. Een paar mannen slenteren rond met een flesje Toña-bier, twee politiemannen (overgevaren van Big) keuvelen wat met een vrouw in een hangmat. Alles komt vanzelf. Wie een boot nodig heeft, vraagt naar Mister Reed, the boatman, een oudere man, hier geboren en getogen. Duiken? Ask for Mister Reed. En hij zal je vragen waaróm in godsnaam je toch teruggaat naar Big Corn. ‘Het is daar veel te druk.’

Big wil als Little zijn. Maar het lukt niet, nog niet. Er is veel tijd om te hangen. Op de landingsbaan, op het terras van Fisher’s Cave, bij de ongebruikte boten op het strand. Waar jongens aan voorbijlopende toeristen vragen: ‘Wat ben je aan het doen? Loop je rond?’

Het beste antwoord is ‘yeah, yeah’. Dat voelt goed, dat past hier.

Meer over