Voyeur van het Kwaad

Voor zijn nieuwe roman is Umberto Eco teruggekeerd op oud terrein. Evenals in De slinger van Foucault is de keerzijde van de negentiende eeuw het decor, de duistere wereld van geheime congsi's en verlichte genootschappen. Maar de inzet van zijn spel is sterk verhoogd. Het gaat nu niet om een onwaarschijnlijke schat en rare tempelieren, het gaat om het auteurschap van het invloedrijkste antisemitische geschrift aller tijden, de Protocollen van de wijzen van Zion. Eco weet namelijk wie dat afschuwelijke boekje geschreven heeft, een zekere Simone Simonini. En hij kan het weten, want hij heeft het zelf bedacht.


Wederom maakt Eco gebruik van de tijdloze zwakte van de mens, die heilloze cocktail van lichtgelovigheid en paranoia, blindheid en bedrog, de voedingsbodem van heilsleren en complotten. En wederom weet hij die dubbele wereld te verbinden met het metier van de schrijver. Die begraafplaats van Praag uit de titel is het oudste nog bestaande Joodse kerkhof van Europa, veel te klein voor de grote gemeente van destijds, zodat meerdere lagen over elkaar heen gelegd werden. Dit is de plek waar de Protocollen van Zion in elkaar gezet zouden zijn.


We kennen het verhaal van de Protocollen van Zion en wie meer wil weten leze het recente boek van David Aaronovitch, Voodoo Histories (2009). De Protocollen doken op net na de Eerste Wereldoorlog, als Die Geheimnisse der Weisen von Zion. Het zou het verslag bevatten van het eerste Zionistische Congres, in 1897 te Bazel. Het waren tachtig pagina's met aanbevelingen en methoden om de christelijke maatschappij omver te werpen en de geesten rijp te maken voor de Joodse suprematie.


Om dat te bereiken moest de samenleving eerst grondig door elkaar geschud worden. Vandaar dat het boekje uitlegt hoe de klassenhaat aangezwengeld, traditionele waarden ondermijnd en revoluties uitgelokt moesten worden. Eerst zou het socialisme komen, dan het communisme en ten slotte zou het hele stelsel van staten uiteenvallen. Uiteindelijk zou de wereld om orde smeken en wie zou die orde, met de hulp van de Vrijmetselarij, brengen? De Joodse internationale.


Het was een prachtplan en weldra circuleerde het in de hoogste kringen van Europa. Henry Ford nam de Amerikaanse verspreiding op zich, in Rusland spande de tsaar er zich voor in. Maar er waren ook mensen die kritische vragen stelden. Iemand had al eens eerder van zo'n Joodse samenzwering gelezen, maar dan in een roman van een zekere Sir John Retcliffe. Dat was het pseudoniem van een Duitse journalist en falsaris, Hermann Goedsche, en die roman heette Biarritz, verschenen in 1868. Plaats van handeling: de begraafplaats in Praag.


Niet lang daarna werd nog een andere bron bekend, een boekje dat helemaal niet over Joden ging, Dialogen in de hel tussen Macchiavelli en Montesquieu van een zekere Maurice Joly. Dat was gericht tegen Napoleon III, maar als je Macchiavelli (Napoleon III) verving door de Joden kreeg je grosso modo de Protocollen. En dan was er nog een zekere Sergei Nilus die de Russische publicatie ervan voor zijn rekening nam, maar die zei het van Franse vrijmetselaars te hebben. Later bleek dat Nilus de zetbaas was van Piotr Ivanovitsj Rachkovski, hoofd van de Parijse vestiging van de Russische geheime dienst. Die had de protocollen laten vervaardigen voor intern Russisch gebruik.


Dit is de historische ketel waarin Eco zijn heksendrank brouwt. De meeste boeken over de Protocollen gaan over het gruwelijke gebruik dat ervan gemaakt werd door de nazi's, al vergeet Aaronovitch niet te vermelden dat het geschrift nog steeds gretige aftrek vindt in het Midden-Oosten, geciteerd wordt in het Handvest van Hamas en regelmatig op de Iraanse televisie als bewijsplaats dient. Maar Eco richt de aandacht op de negentiende eeuw en neemt de lezer mee als een microbe in de onderbuik van de Europese politiek van samenzweerders en falsarissen, goedwilligen en kwaadsappigen.


We komen ze allemaal weer tegen, Goedsche en Joly, Nilus en Rachkovski, opgenomen in die zwerm van dronkaards en maanzieken die de gruwelen van de twintigste eeuw aankondigde. Eco hoefde ze helemaal niet te verzinnen, het waren romanfiguren op zich, gemaakt voor een historische verbeelding als de zijne. Maar hij gaat veel verder, hij plaatst ze terug in de romaneske wereld van Eugène Sue en Dumas père. Hij laat Simonini opereren tegen de achtergrond van Risorgimento en Commune, de eenwording van Italië en de ondergang van het tweede Keizerrijk, de triomfen van Cavour en de nederlaag van Napoleon III. We lopen rond in het verlichte Turijn en het antisemitische Parijs, we nemen deel aan duivelsmissen en zijn parti pris in de Dreyfus-affaire. En alles is schijn en bedrog, vervalsing en samenzwering.


En de lezer zelf wordt ook in de ketel geworpen. Want we volgen niet alleen het dagboek van een falsaris, maar ook de ingrepen van een onbetrouwbare verteller. Die falsaris blijkt bovendien een meervoudige persoonlijkheid, opgesplitst in Simonini zelf en een malverserende abt. Dat stelt ons in staat steeds twee kanten te zien, maar wel van een uiterst duistere zaak. Bovendien gooit de verteller het op een akkoordje met de lezer, zodat we nu ook een onbetrouwbare lezer hebben.


Bijna alles is controleerbaar in dit boek, maar niets is zeker. Zeker is hooguit dat er drie partijen zijn, zij die de gevestigde orde willen handhaven, zij die die orde omver willen werpen en ten slotte zij die de macht willen hebben in om het even welke orde. Al onze zwakheden, nationalistische vooroordelen, racistische stereotypieën, seksistische gemakzuchtigheden worden op hun voorgeschiedenis onderzocht. Er valt heel veel te lachen bij het lezen, maar uit de titel van het voorlaatste hoofdstuk, 'De eindoplossing', mogen we afleiden dat het op een ondergrond van diepe ernst geschreven is.


Te lachen valt er hoe dan ook. Bijvoorbeeld als 'de held van de schare', Garibaldi, een jichtige man op kromme beentjes blijkt te zijn, of als bij de belegering van Parijs in 1870 de hele dierentuin wordt opgegeten zodat zaken op het menu verschijnen als olifantenconsommé, kangoeroestoofschotel en kat met een garni van pasgeboren ratjes. De smulpaap die Eco is heeft zich trouwens uitgeleefd in dit boek, zodat men tegelijk een alleraardigst kookboek in handen krijgt met negentiende-eeuwse klassiekers als paté chaud de cailles, homard à la parisienne, canetons à la rouennaise en cassolettes princesse (en afsluiten met bombe glacée natuurlijk).


Het lijkt een chaotisch geheel, maar het is wederom een strak geregisseerde roman, van het historische vooronderzoek af tot en met de tewaterlating toe. Want het kan natuurlijk geen toeval zijn dat de Osservatore Romano, spreekbuis van de Heilige Zetel, bij het verschijnen van de Italiaanse editie meteen schande sprak. Eco zou een 'voyeur van het kwaad' zijn, kan het humoristischer? En trouwens, wie gelooft dat de twee vertaalsters, die nu al jaren zo elegant Eco omzetten in het Nederlands, voorzien van de namen Boeke en Krone, iemand anders zouden zijn dan Eco zelf?


Umberto Eco: De begraafplaats van Praag.


Uit het Italiaans vertaald door Yond Boeke en Patty Krone.


Prometheus; 494 pagina's; € 19,95.


ISBN 978 90 446 1732 0.


Meer over