Vossenstand eist reguliere bejaging

Op sommige plaatsen in Nederland komen teveel vossen voor en zij richten wel degelijk slachtingen aan onder allerlei diersoorten, vooral vogels....

ER zijn meer vossen dan ooit. Reintje richt regelmatig slachtingen aan onder kippen en ander sierpluimvee en houdt soms huis onder kieviten, wulpen, lepelaars, fazanten, kluten en meeuwen. Maar volgens woordvoerder Blijenberg van de Dierenbescherming veroorzaken vossen geen schade, daar zijn volgens hem geen bewijzen voor.

Toch ligt de zaak genuanceerder dan de Dierenbescherming doet voorkomen. Feit is dat het goed gaat met de vos. Zowel de aantallen als zijn verspreidingsgebied zijn nog nooit zo groot geweest. Op zich is daar niets mis mee. In natuurlijke situaties is het een predator die gewoon zijn plaats heeft in het ecosysteem. Ze pakken datgene wat voorhanden is. Konijnen en muizen eten ze het hele jaar. In het voorjaar richten ze zich vooral op broedende vogels en hun nesten. Eten en gegeten worden is normaal in de natuur. Maar hoeveel natuur hebben we nog in ons land.

Overal, ook in wat we aanduiden als natuur, is de invloed van de mens aanwezig. En juist in verschillende van die natuurgebieden, denk aan de Noord-Hollandse duinen, het Fochteloërveen, de Lauwersmeerpolder en het Naardermeer, leven nu door een ander jachtbeleid meer vossen dan ooit. Maar in die religie van zelfregulering is nu duidelijk een kentering.

Op steeds meer plaatsen gaan beheerders van natuurterreinen over tot regulering van het aantal aanwezige vossen. Natuurmonumenten doet dat in eigen beheer, Staatsbosbeheer en (sommige) Provinciale Landschappen besteden dat uit aan de wildbeheereenheden. Zij doen dat omdat door de aanwezigheid van grote aantallen vossen andere natuurwaarden in het geding kunnen komen. Daarnaast worden de beheerders van natuurterreinen geconfronteerd met boze burgers die voor de zoveelste keer de dode kippen en pauwen uit hun tuin moeten vissen. Zo werden in Noord-Holland de afgelopen zes jaar ruim 1500 stuks pluimvee door vossen gedood.

In tegenstelling tot wat Dierenbescherming beweert zijn er wel degelijk aanwijzingen dat vossen schade kunnen veroorzaken aan prooidierpopulaties. In het ene geval blijkt dat de aanwezigheid van vossen leidt tot achteruitgang van prooidiersoorten, in andere tot het geheel verdwijnen daarvan. Zo is in de duinen van Noord-en Zuid-Holland sinds de komst van de vos het aantal hermelijnen sterk gedaald. Op veel plaatsen in het duin worden in het geheel geen hermelijnen meer waargenomen. De biologen Broekhuizen en Mulder schrijven dat toe aan predatie door vossen.

In het Noord-Hollandse duin is mede door de komst van de vos een forse afname van de fazantenstand vastgesteld. Uit onderzoek van Mulder bleek dat 44 procent van gezenderde fazanthennen werd gepredeerd door vossen. De voorjaarsstand bedroeg in die tijd 20 vossen per 1000 ha, na de voortplantingstijd 50 per 1000 ha.

Dat vossen grote invloed kunnen hebben op koloniebroedende vogels is al lang bekend. Zo is in de jaren tachtig in de Amsterdamse waterleidingduinen door verstoring en predatie door vossen het aantal meeuwen gedecimeerd danwel geheel verdwenen. Het aantal kokmeeuwen daalde in drie jaar tijd van 5000 broedparen naar nul, het aantal zilvermeeuwen in vijf jaar van ruim 100 broedpaar tot nul.

Ook lepelaars zijn gevoelig voor vossen. Eind jaren tachtig werden 50 van de 82 broedsels van deze vogels gepredeerd. Een jaar later gingen door toedoen van de vos in het Naardermeer 80 van de 120 nesten van lepelaars verloren. In beide gebieden werden in die jaren in het geheel geen lepelaars uitgebroed.

In het Naardermeer zijn de lepelaars inmiddels geheel verdwenen, in het Zwanenwater zijn ze nog wel aanwezig dankzij het plaatsen van een elektrisch vossenkerend raster en afschot van vossen. Een gelukkige omstandigheid is dat de lepelaars nieuwe broedgebieden hebben ingenomen op de Waddeneilanden en daar met succes jongen groot brengen. Vogelbescherming Nederland stelt in haar boekwerk Lang leve de lepelaar dan ook terecht dat voorkomen moet worden dat daar vossenpopulaties kunnen ontstaan.

Ook weidevogels zijn niet altijd veilig voor vossen. Zo wordt de achteruitgang van broedvogelpopulaties weidevogels, steltlopers en sterns in de Bantpolder, waarin het beheer speciaal is gericht op het versterken van de waarde als broedgebied, toegeschreven aan predatie door vossen. Veldkamp stelt dat het er alle schijn van heeft dat de Bantpolder qua broedvogelrijkdom veel zal moeten inleveren als de predatie op het huidige niveau blijft. Dan zal het volgens deze onderzoeker met de Bantpolder dezelfde kant opgaan als met de ernaast gelegen Lauwersmeerpolder. Sinds de sterke toename van de vos in dat gebied blijkt de stand van de kluut met 85 procent te zijn gedaald, die van de kievit met 78 procent en die van de grutto met 83 procent.

Uit een recente studie blijkt dat in het Vennewater in Noord-Hollands duingebied de nestoverleving van de kievit, scholekster en grutto niet meer dan 20 procent was, dit als gevolg van vossenpredatie. Na plaatsing van een voskerend raster was het uitkomstpercentage 80 procent. Binnen het raster vertoonden de weidevogels een stabilisatie tot toename, daar buiten namen de aantallen sterk af.

Moeten we uit bovenstaande nu concluderen dat een vos overal teveel is? Het antwoord is duidelijk nee. Ik wil alleen aangeven dat het nonsens is te stellen dat vossen geen schade veroorzaken. Het is evenzeer onzin te stellen dat vossen overal en altijd schade veroorzaken. Maar met de wetenschap dat het op zijn beloop laten van vossenpopulaties in ons dichtbevolkte land problemen kan opleveren voor andere faunasoorten en (sier)pluimvee, is het zaak om met betrekking tot de vos tot een beheersbare situatie te komen. En dat is het best te bereiken door reguliere bejaging van de vos; bejaging die is gericht op het voorkomen van problemen in plaats van het bestrijden van een reeds ontstaan probleem. En of die bejaging ook in de voortplantingstijd van de vos moet plaatsvinden, dat is dan nog de vraag.

Meer over