Vortriekend

'Ik en weet niet welke vortriekende wind er sinds eenigen tijd aan 't waaien is over onze gezonde dietsche landen....

ED SCHILDERS

Slechte boeken stinken, en in hun strijd tegen het gevaarlijke boek hebben recensenten zich moeite getroost die odeurs te definiëren. Alphonse Laudy bijvoorbeeld, die ik in de eerste alinea citeer. Het betreft een fragment uit zijn boekje Jan Rap & Co. (1903), waarmee de zedeloze schrijvers bedoeld worden. Geheel in de geest van de tijd meende Laudy dat de slechte literair-klimatologische omstandigheden in Parijs, bij Emile Zola, ontstaan waren, waarna de depressie zich 'vortriekend' uitbreidde, dat wil zeggen 'verrot ruikend'. In Antwerpen voegde zich 'ontbonden Scheldevisch' aan de pestilente lucht toe, want daar werd het werk van Lode Baekelmans gepubliceerd.

Sinds het boekje van Laudy verscheen, is er sprake van een literair-kritisch broeikaseffect. De essentie van Fabian Warners Vlammende jeugd is volgens een bespreking (1925; de jaartallen verwijzen naar de recensies): 'De lezer is gewaarschuwd. Het is werkelijk een dierentuin en het stinkt verschrikkelijk bij de kooien.' De geur van Johan de Meesters roman Gezin (1920) kwam rechtstreeks uit het boek zelf: 'De zuur-zoete herberggeur van troebel bier en alcohol.' Fantastische vertellingen (1919) van Bordewijk kon zelfs dodelijk zijn, althans volgens pater Gielen, de hoofdredacteur van het tijdschrift Boekenschouw: 'Men kan nu beweren dat het toch kunst is hetgeen ons hier geboden wordt, maar eene kunst die ons verstand, ons gemoed, ons geweten en zelfs ons lichaam in opstand brengt, sluit ik even gaarne buiten mijn atmosfeer als kolendamp en Amsterdamsche grachtenlucht.' In Simon Vestdijks De dood betrapt (1935) waren de doden al gevallen: 'Door de meeste dezer novellen en schetsen waait een lijkenlucht.'

Pater Gielen nam wel vaker zijn stilistische toevlucht tot geuren. Uit J. van Oudshoorns Willem Mertens' levensspiegel (1920) had hij een 'lauwe ziekenkamerlucht' opgesnoven, en een Franse roman die ook in Nederland tot veel ophef leidde, Victor Marguerittes La Garçonne, stonk volgens Gielen van 'inwendige rottigheid' (1923).

Uiteraard had ook de erotisch getinte literatuur haar lijfgeur. M. Pickthalls Said, de visscher (1926): 'Een harem-lucht, en die ruik je op een afstandje.' Over Angst, dierbare vijandin van Jo Otten (1935): 'Men ademt hier een lucht in van erotische overspanning.'

Het zou tot 1934 duren, voordat Laudy een waardige opvolger kreeg in de persoon van Dan Lord, een Engelse priester wiens tegen de moderne literatuur gerichte boekje in het Nederlands vertaald werd als Ik mag alles lezen. Ook voor Lord was de gehele literatuur 'vortriekend', en wat hij rook was 'de stinkende adem van vampiers vlak bij onze keel'.

Merkwaardig genoeg komt de geurvergelijking vrijwel nooit voor waar het zedelijk goedgekeurde boeken betreft. Voor wie die welriekende geur vergeten is, heb ik toch nog een voorbeeld kunnen vinden. Het is Peter Neagoe's Als de zon rijst, en uit zijn roman waaien de 'zware geuren van diep-omgeploegd land en de zoete aromen van rijpende oogst ons tegemoet'.

Ed Schilders

Meer over