'Vorig jaar heeft hier een bosuil gebroed'

Een ringslang, een dampend damhert of een vos: in Amsterdam kun je ze zomaar tegenkomen, zegt scheidend stadsecoloog Martin Melchers....

Door Caspar Janssen

Pas nog liep de Amsterdamse stadsecoloog Martin Melchers (65) langs het terrein van de Hells Angels, waar woningbouw is gepland.

‘Ik werd aangesproken door een van de Hells Angels. Hij bleek een echte natuurliefhebber. Hij zei: ‘De rivierdonderpad zit hier in de Weespertrekvaart.’ Ik zei: ‘Oh ja? Dat is bijzonder.’ Hij zei: ‘Ik vang ze wel.’

De volgende dag hing hij aan de telefoon; ‘Hé Martin, ik heb hem.’ Ik daar naartoe, en het klopte: hij had een rivierdonderpad gevangen. Dat gebiedje is trouwens een bolwerkje van natuur. De grote, bonte specht zit er, de nijlgans, egels en nog veel meer. De Hells Angels als beschermengels van de natuur, haha.’

Nu, op een mooie, doordeweekse najaarsdag, staat Melchers bij een houten hek midden in het Vondelpark. Hij rammelt met een sleutel en een ketting totdat het hek opendraait. ‘Zie hier een van mijn laatste grote trucs.’

Achter ons skaten, fietsen, lopen en rennen honderden parkgebruikers over het asfalt, voor ons ontvouwt zich een smal paadje door het riet, langs poelen, langs houtwalletjes, tussen bomen met nestkastjes door, langs opgestapelde houtblokken voor slakken en pissebedden tot aan een ijsvogelwandje. Her en der een uitlegbordje.

Een natuurwandeling, midden in het drukste stadspark van Nederland. Er is hier niemand en het is zowat stil, op het gekwetter van door ons opgeschrikte vogeltjes na. Een winterkoninkje vliegt voor ons uit, een buizerd vliegt over. In de verte niets dan bomen, getooid in herfstkleuren.

‘Mooi hè?’, constateert Melchers.

Het was zijn idee, de natuurwandeling, exclusief voor de schooljeugd, in het Vondelpark. In de geest van Heimans en Thijsse, pioniers in natuurbeleving. Jac. P. Thijsse schreef al in 1946 over ‘instructieve plantsoenen’ voor ‘stadskinderen’, die zo kennis konden maken met de ‘wilde natuur’.

Lang had Martin Melchers dit afgesloten rustgebied van het Vondelpark bijna voor zichzelf. ‘Ik heb vijf jaar lang primeurs gehad. Libellen, vlinders, padden, groene kikkers. Al zijn die kikkers hier eerlijk gezegd via mijn fietstassen gekomen.’ Ergens in die vijf jaar bedacht hij dat je toch meer moest doen met dit stukje natuur. Zijn idee voor het houden van excursies vond weerklank, de natuurwandeling is bijna klaar.

Een van zijn laatste grote trucs dus, want Martin Melchers, de bekendste stadsecoloog van Nederland, neemt na zeventien jaar afscheid. Morgen wordt nog een symposium aan hem gewijd. En dan? ‘Dan ga ik gewoon door met hetzelfde werk. Alleen laat ik me dan inhuren. Ik word zzp’er. En gegevens blijf ik natuurlijk altijd verzamelen. Want dat doe ik voor mijn plezier.’

In het Vondelpark kun je iets terugzien van wat hij in die zeventien jaar heeft bereikt. Melchers: ‘Vijftien jaar geleden was hier nauwelijks leven. Ik heb voorzichtig gezegd: laat eens een dode boom liggen. Want daar komen insecten op af. En ander leven. Zo is het begonnen. Tegenwoordig zitten hier bosmuizen. Vorig jaar heeft hier een bosuil gebroed.’

‘Rommel mag, rommel moet, aanharken is niet goed,’ zo luidt een van Melchers bondige filosofieën. Hij heeft behoorlijk veel invloed gehad als stadsecoloog. ‘Ik fiets dagelijks door de stad, en overal zie ik dingen terug die ik heb bedacht.’

Dat is des te grappiger, vindt hij ook, omdat hij helemaal geen ecoloog is. Melchers is fysiotherapeut van beroep, nog tot aan zijn 60ste is hij doorgegaan met zijn praktijk. Als ‘ecoloog’ is hij autodidact. Als enthousiaste Amsterdamse natuurliefhebber kwam hij begin jaren negentig op het idee – samen met jeugdvriend Geert Timmermans van de Dienst Stadsecologie – om een boekje te schrijven over natuur in de stad. Een logisch gevolg van hun jarenlange tochten in de stadsnatuur. Melchers: ‘Op flora- en faunakaarten van Nederland was Amsterdam een witte vlek. Maar er was hier van alles te zien. Vonden we een doodgereden boommarter, wist niemand dat het een boommarter was.’

Het boekje Haring in het IJ; de verborgen dierenwereld van Amsterdam, verscheen in 1991. Er werden zevenduizend exemplaren verkocht. Melchers: ‘Een ongekend succes. Het viel onbewust samen met een golf aan interesse voor natuur in de stad.’

Sindsdien werd de fysiotherapeut Melchers voortdurend geraadpleegd door de nieuw Dienst Stadsecologie. ‘Ik wist waar je welke soorten kon vinden.’

Hij trad deels in dienst van de gemeente, eerst voor vier uur per week, uiteindelijk voor halve dagen. ‘Ik heb meteen gezegd: ik ga niet vergaderen en ik ga ook niet achter de computer zitten. Wel krijgen jullie mijn netwerk erbij. En ik ben goed in het inventariseren van soorten.’

Dus fietste Melchers zowat iedere dag, na zijn fysiotherapiewerk, door de stad. Hij werd ingeschakeld als adviseur bij vele projecten, zoals het aanleggen van broeihopen voor ringslangen, de invulling van ‘ecolinten’ en het aanleggen van terrasoevers bij IJburg. ‘Natuur is mijn laboratorium.’

Zijn grote verdienste is, zegt vriend en vijand, dat hij, als ‘veldbioloog’ en ‘buitenman’ de ‘natuur in de stad’ op de kaart heeft gezet, letterlijk en figuurlijk.

‘Natuur is een onverdachte binnenkomer,’ zegt hij. ‘Een paar jaar geleden heb ik in heel Amsterdam mussen geteld. Op een dag stond ik ergens naar een dakrand te kijken, toen de twee bewoners, type zware jongens, me op boze toon aanspraken: ‘Wat doe je nou?’ Ik zei: ‘Dat raad je nooit.’ Ze werden nog bozer: ‘Wat doe je nou, man?’ Ik zei: ‘Ik tel de mussen.’ ‘Oh’, zei een van die mannen toen, ‘kom dan maar binnen, ik weet waar ze zitten.’ Even later stond ik daar door die losliggende plafondplaten heen te kijken naar de mussennesten. Zo zie je maar: natuur ontwapent.’

Hij zag in zijn tijd de vos naar de stad komen. (‘Ik kreeg pas nog een melding van een vos die in Osdorp bij een huis naar binnen aan het kijken was.’) En de muskusrat, een aantal vleermuissoorten, de huisspitsmus, de slechtvalk, de halsbandparkiet, de ijsvogel. Vooral heel veel vissoorten, vanwege het schonere water en de nieuwe verbinding tussen de Rijn en de Donau. En dan de toegenomen aantallen krakeenden, groene spechten, appelvinken. ‘We hebben nu de lepelaar als broedvogel. Je ziet soms de grote zilverreiger. Veel blauwborstjes ook. Libellensoorten, vlinders, en de ringslang.’

Alleen de brulkikker, constateert hij bedrukt, heeft niet doorgezet.

Wat hem is opgevallen, na al die jaren: ‘Mensen zijn zo gefocust op verlies. Maar je kunt ook zeggen: wat zeik je nou, we hebben er meer natuur bij gekregen. Echt waar: de biodiversiteit in Amsterdam is idioot groot en wordt nog ieder jaar groter.’

Een ‘zegen’ voor de stad en de ‘gegevensverzamelaar’ Melchers was de Flora- en Faunawet uit 2002. ‘Dat dwingt de stad om bij te houden wat er is en om die natuur te beschermen. Amsterdam is allang geen witte vlek meer. We geven nu per vierkante kilometer aan wat er aan dieren en planten zit.’

Toch ging er ook veel verloren. Het westelijk havengebied liep vol met bedrijven, met het Teleportterrein gebeurde hetzelfde, door de komst van het Sciencepark verdwenen de laatste weidevogels binnen de stadsgrenzen en eigenlijk, als hij het goed beschouwt, werd Amsterdam almaar meer ‘verdicht’.

Soms zat het onverwachts mee. De inrichting van de Diemervijfhoek – net buiten de stadsgrenzen – werd op het nippertje een succes. ‘Dat was het laatste stukje wilde natuur van Amsterdam en omstreken. Toen kwam er een bureau met een voorstel voor gazonnetjes en huisjes om te barbecuen. Ik riep: nee, nee, nee! Gelukkig ging dat niet door, maar een landschapsarchitect had wel een kaarsrecht pad gepland door dit gebiedje. Zo stom.

‘Ik zei: we hebben decorbouwers nodig, je moet bochtjes maken, na ieder bochtje is er dan een kans een vos te zien, of een specht. Het gaat om de beleving. Maar die rechte lijn zou er komen. Totdat de projectleider zei: Martin, het pad is klaar, ga toch eens kijken. Ik kwam daar en het pad kronkelde. Wat bleek: ze hadden in de wandelgangen tegen de kraanmachinist gezegd dat hij bochten moest maken, want anders zou zijn kraan wegzakken. Zo is dit gebiedje gered.’

‘Ik kijk vaak door de ogen van dieren naar de stad,’ zegt hij. Vandaar dat hij niets begrijpt van bijvoorbeeld de verbinding tussen het Amstelpark en het Amsterdamse Bos, via het Gijsbrecht van Aemstelpark. ‘Daar zijn landschapsarchitecten mee aan de haal gegaan. Dat is rechthoekig, zonder bochten, zonder dekking. Dan denk ik als een eekhoorn: wat een eind rennen, en er is niet eens dekking. Dus blijf ik zitten waar ik zit.’

Hij is geen kankeraar, zegt hij. ‘Tegenwoordig denk ik bij een mislukking: het kan alleen maar beter worden. Ik heb ook tactische dingen geleerd. Ik gebruik vaak toverwoorden als ‘veiligheid’ en ‘recreatie’ om meer natuur te krijgen. Zo is het natuureiland boven IJburg er gekomen.’

Melchers krijgt nog altijd alle meldingen van opvallende waarnemingen in de stad. Vorige week nog was er een damhert gezien. ‘Dat stond naar het verkeer te kijken bij de Zeeburgertunnel.’ Een dag later stond een vrouw oog in oog met een ‘druipend, dampend damhert’ in het Vliegenbos, in Amsterdam-Noord.

Laatst lukte het hem na veel moeite jonge vosjes te filmen, voor een dvd-versie van Haring in het IJ. Op dat soort momenten komt dat gevoel terug dat hij als jochie vaak had. ‘Ik wilde als jongetje niet deugen. Ik vroeg me af: hoe kun je de hele dag op school zitten? Iedere dag na school deed ik een rondje Amsterdamse Bos. Zo kreeg de dag nog een voldoende. Of ik ging naar het open veld. Als ik dan kieviten of een tureluur zag opvliegen, kreeg ik een tintelend gevoel op mijn wangen. Een onverklaarbaar geluksgevoel. Zo is het allemaal begonnen.’

Meer over