Voorvechter van groei werd pleitbezorger van krimp

De overleden oud-EEG-commissaris Sicco Mansholt legde de basis voor de drastische schaalvergroting van de Europese landbouw. Het rapport van de Club van Rome van begin jaren zeventig opende zijn ogen voor de keerzijde....

SICCO MANSHOLT is het best te karakteriseren aan de hand van zijn hobby's. De donderdagnacht overleden oud-PvdA-minister en ex-eurocommissaris was een verwoed zeezeiler, houtbewerker en machinebouwer. Na zijn pensionering bouwde hij eigenhandig een stalen scheepscasco op tot een luxe zeiljacht, waarmee hij de wereldzeeën bevoer. Voor zijn zoon in Italië, die paddestoelen kweekte, ontwierp en bouwde hij de machines.

Zoals hij de radertjes van zijn schip op zijn draaibank vorm gaf en de visjes in het houten reliëf eigenhandig sneed, zo werd hij geboeid door de bedrijfsprognoses van de boeren in de Povlakte en het ei-gehalte in de spaghetti. Of hij nu een schip bouwde of een saneringsplan ontwierp voor de Europese agrariërs, Mansholt combineerde aandacht voor de finesses met een visie op het grotere geheel.

Dr Sicco Leendert Mansholt werd 13 september 1908 geboren op een boerderij in het Groningse Ulrum, vlak achter de Lauwerszee-dijk. Zijn grootvader, Derk Roelfs Mansholt, was boer en socialist. Opa Mansholt steunde Domela Nieuwenhuis financieel, schreef vurige pamfletten en schaakte per brief met Multatuli in Nederlands-Indië.

Sicco's ouders hielpen de socialistische beweging de eerste stappen te zetten. Vader Mansholt was lid van de Groningse Provinciale Staten en gedeputeerde. Zijn moeder had als een van de eerste vrouwen van het land politieke wetenschappen gestudeerd en organiseerde politieke thuisbijeenkomsten voor vrouwen. Met de andere boeren in de streek had de familie nauwelijks contact. De Mansholts waren immers 'rooien' tussen de christenen.

Sicco ging na de koloniale landbouwschool in Deventer naar Java waar hij manusje van alles werd op een theeplantage aan de rand van het oerwoud. Omdat zijn baas hem ongeschikt vond voor het plantersvak, keerde hij terug naar Nederland. In 1936 vestigde hij zich in de pas in cultuur gebrachte Wieringermeerpolder. Al gauw had hij zijn eigen bedrijf en werd hij secretaris van de plaatselijke SDAP-afdeling.

Direct na de oorlog vroeg PvdA-premier Schermerhorn hem in zijn kabinet als minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening. Bedenktijd kreeg Mansholt niet. Hij had eenvoudig zijn 'boerenplicht' te doen, zei Schermerhorn achteraf.

Mansholt had in het verzet niet alleen onderduikers verborgen in de Wieringermeerpolder, hij had ook bewezen de clandestiene voedselvoorziening voor de westelijke provincies te kunnen organiseren. Een nuttig talent voor een periode waarin de landbouw uit het slop moest worden gehaald en de Nederlanders tegen redelijke prijzen te eten moesten krijgen.

Gaandeweg zijn ministerschap raakte hij ervan doordrongen dat landbouwbeleid zich niet beperkt tot Nederland, maar Europa en de hele (Derde) wereld omspant. Ondanks de tegenstand van premier Drees zette hij in 1950 al een plan op voor de Europese samenwerking op agrarisch gebied. Die blauwdruk leverde een bouwsteen voor het Euromarktverdrag van Rome van 1957, het jaar van Mansholts vertrek uit de nationale politiek.

In 1958 werd hij een van de commissarissen in de pas opgerichte Europese Commissie. De overgang was enorm voor hem. In Brussel ontbraken aanvankelijk voorzieningen en personeel voor de commissarissen. Aan het begin van de eerste vergadering in 1958 gaf Mansholt de liftboy geld mee om potloden en schrijfpapier te kopen.

Maar het ambtelijk apparaat groeide snel en landbouwcommissaris Mansholt verzamelde een groepje creatievelingen om zich heen, zoals hij op zijn Haagse ministerie gewend was. In nauw overleg met zijn 'klankbord' werkte hij aan zijn levenswerk: de modernisering van de Europese landbouw. In 1968 diende hij het plan-Mansholt in, dat de raad van ministers in afgezwakte vorm aanvaardde.

Mansholt zette onmisbare stappen op weg naar een sterker Europa dat in die periode nog vooral Europese landbouw betekende. 'De koning van Europa' was een taaie en een harde commissaris, gevreesd om zijn vasthoudendheid. Botsingen ging hij niet uit de weg. Als het moest sloeg de roodaangelopen Mansholt tijdens vergaderingen met de vuist op tafel.

Mansholt is altijd een idealist geweest, een utopisch figuur soms. Maar hij achtte zichzelf niet onfeilbaar. Als de politieke werkelijkheid hem dwong zich van zijn standpunten los te maken, dan was hij flexibel genoeg om dat te doen.

In 1988 zei hij in het PvdA-blad Voorwaarts: 'Als bestuurder moet je compromissen sluiten als blijkt dat je met je eigen opvattingen niet precies daar uit kunt komen waar je wilt. Maar ik heb geen oog voor compromissen vooraf. Daar ben ik niet geschikt voor. Ik kan niet eerst kijken wat haalbaar is en dan pas een standpunt formuleren, Dat ligt niet in mijn aard en daardoor botste ik wel eens.'

Met zijn 'vrind' Den Uyl bij voorbeeld. Met Den Uyl en Van Mierlo zat hij in 1972 in de Commissie van Zes, die voor de progressieve partijen PvdA, D'66 en PPR een Nederlands antwoord formuleerde op de onheilsrapport dat Dennis en Donella Meadows voor de Club van Rome maakten over de gevolgen van de economische groei voor het milieu.

Mansholt was in de ban van de Club van Rome. Mede door zijn vriendschappelijke betrekkingen met de Duitse Grünen, bekeerde hij zich tot de teruggang van de consumptie als de enige mogelijkheid de mensheid en het milieu van de naderende ondergang te redden.

Anders dan Mansholt was Den Uyl Realpolitiker. De PvdA-leider zag in 1972 voor zichzelf een hoofdrol in het nieuwe kabinet weggelegd en de verregaande ideeën van Mansholt en de Club van Rome vond hij politiek niet haalbaar.

DE bekering van Mansholt was het meest interessante moment in zijn politieke denken. In 1968 nog propageerde hij in het plan-Mansholt de grootschalige landbouw. Er is armoede in de wereld, dus moeten de produktie opgestuwd en de bedrijven vergroot, dacht Mansholt toen. De gevolgen waren aanzienlijk: 6,6 miljoen boeren in de oorspronkelijke zes lidstaten moesten hun bedrijf opheffen. De overgebleven grote agrariërs schiepen gigantische landbouwoverschotten.

Het Meadows-rapport Grenzen aan de groei van eind 1971 opende hem de ogen voor de keerzijde. Hij werd voorstander van de krimpeconomie en de actieve bescherming van natuur en milieu. Direct na lezing van het rapport schreef hij van onder een olijfboom op Sardinië, waar hij een landhuisje had, een brief aan commissievoorzitter Malfatti. De Europese Commissie zou naar oplossingen voor deze problemen moeten zoeken, vond hij.

De andere commissarissen waren verrast. Een van hen vroeg zich af of Mansholt, inmiddels opvolger van Malfatti, misschien in een hippie was veranderd.

Mansholt was het type politicus dat zich in een onderwerp volledig kon verdiepen en al lezend en rekenend tot een standpunt kwam waar hij dan niet gauw meer vanaf was te brengen. Zo ging het met het Meadows-rapport en de mondiale ecologie. Zo ging het, om een heel ander voorbeeld te noemen, later met zijn enthousiasme voor het basisinkomen.

Achteraf was hij niet te beroerd om lachend toe te geven dat hij het soms verkeerd had. Als eurocommissaris zat hij met het streven naar produktieverhoging 'zeer beslist fout', zei hij later. De Progressieve Volkspartij, waarvoor hij zich in de Commissie van Zes inzette, vond hij achteraf toch ook niet zo'n goed idee.

Na 1973, toen hij als voorzitter van de Europese Commissie afscheid nam, was zijn agenda nog altijd vol. Zoals hij als commissaris gewend was, reisde hij voor lezingen en conferenties en forumdiscussies de wereld af, van Leiden naar Berlijn, van Emmeloord naar Illinois. Als hij een tijdje niet werd gevraagd op te treden, regelde hij zelf een uitnodiging. Hij correspondeerde en sprak met de groten der aarde.

Later kwam Mansholt enkele keren met uitgewerkte plannen om de agrarische overschotten te beheersen. Hij was actief in een actiegroep tegen een militair oefenterrein bij zijn boerderij in het Drentse Wapserveen en was trouw en actief lid van landbouwadviesgroep voor de Tweede-Kamerfractie.

Een keer doorbrak hij zijn dagelijkse routine. In 1982 en 1983 maakte hij zijn tweemastjacht de Atalante II (de godin van de snelheid) zijn droomreis. Elf maanden bevoer hij de Atlantische Oceaan en bezocht hij de Cariben en de Amazonedelta. Op het water las hij over zijn favoriete onderwerpen: de milieuvervuiling, de ontwapening, de economie.

Thuis, in de PvdA nestelde Mansholt zich op de kleine, radicale vleugel. In de jaren zestig al had hij de opkomst van Nieuw Links als een bevrijding ervaren. In 1982 gruwde hij van het toen spraakmakende neo-realisme.

Fundamentele kritiek had hij ook op Schuivende Panelen, het toekomstrapport van de PvdA uit 1987. Het compromis daarin tussen werk voor iedereen en bescherming van het milieu vond hij slap. Voor de overleving van de mensheid moest wat hem betreft alles wijken, ook de welvaartsgroei. Met die eigenwijze opstelling isoleerde hij zich in de PvdA. En dat wist hij. In Voorwaarts zei hij in 1988: 'Ik realiseer me wel dat deze boodschap niet gevreten wordt. Niet in de partij en zeker niet daarbuiten. Alleen de PPR durft het te zeggen.'

Toen de graanboeren in 1990 uit protest hun trekkers de snelwegen opstuurden en de grenzen blokkeerden ('een afschuwelijke vertoning') ratelde in Wapserveen de printer van Mansholts huiscomputer. Aan de hand van staatjes en grafieken toonde de 81-jarige aan dat alleen prijsverhoging gekoppeld aan produktieverlaging de boeren uit de crisis zou helpen. Ook premier Lubbers kreeg van hem een brief met adviezen.

Ze moesten in de PvdA wel eens slikken, als Mansholt zijn eigenzinnige visie verkondigde in de media. Maar ook al kwam zijn bemoeienis soms ongelegen, het werd van hem gepikt. Hij werd in de partij gewaardeerd om zijn ervaring, zijn kennis en vooral om zijn enorme inzet. De wijze kater uit Wapserveen is nooit een orakel geworden.

Erik van Venetië

Meer over