Voorkeursbeleid moet strenge normen kennen

Het voorkeursbeleid in de Verenigde Staten staat onder toenemende druk. Hoewel het beleid de afgelopen decennia zeker resultaten heeft opgeleverd, kan Nederland volgens Wim Groot en Hessel Oosterbeek van de ervaringen in de VS ook leren hoe men het niet moet doen....

DE onwilligheid van werkgevers om mee te werken aan een openbare registratie van hun allochtone werknemers toont aan dat er nog altijd verschillen van mening bestaan over de vraag hoe de arbeidsmarktpositie van allochtonen kan worden verbeterd.

Volgens een liberale visie is het voldoende wanneer werkgevers bij hun aannamebeleid 'kleurenblind' zijn; alleen de geschiktheid in termen van relevante kenmerken speelt mee, zoals opleiding, gemotiveerdheid en ervaring - de etnische herkomst niet. Bij gelijke geschiktheid kan de voorkeur uitgaan naar de sollicitant uit de meest achtergestelde groepering.

De taak van de overheid komt in deze visie neer op niet veel meer dan de naleving van de Grondwet die stelt dat discriminatie is verboden. Wel dient volgens deze visie nog in enige mate compenserend onderwijsbeleid te worden gevoerd, vanwege de sleutelrol die opleiding en scholing vervullen ten aanzien van het verwerven van maatschappelijke posities. Tegenover deze tamelijk minimalistische vorm van beleid staan veel verdergaande vormen van regulering: voorkeursbehandeling voor minderheden, een registratieplicht voor bedrijven, en het stellen van quota.

Een keuze tussen deze beleidsvormen lijkt vooral af te hangen van het belang dat men hecht aan een gelijke positie van minderheden. Natuurlijk zijn er kosten verbonden aan voorkeursbehandeling, registratieplicht en het stellen van quota. Maar voor degenen die een gelijke positie van minderheden belangrijk vinden, wegen die kosten ruimschoots op tegen de voordelen. Voorkeursbehandeling lijkt de aangewezen weg.

Een belangrijke vraag voor een keuze tussen beide visies is: wat zijn de gevolgen van het al dan niet voeren van een actief reguleringsbeleid ten aanzien van minderheden? Ten einde deze vraag te beantwoorden is het zinvol de situatie in de Verenigde Staten in ogenschouw te nemen. Sinds 1965 wordt daar een beleid gevoerd van voorkeursbehandeling van minderheden en vrouwen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt.

In 1965 werd de Amerikaanse samenleving gekenmerkt door een hoge mate van segmentering. Individuen raakten opgesloten in een bepaald segment. Een proces van weinig stimulansen om zelf aan onderwijs deel te nemen, leerproblemen, slechte onderwijsprestaties, slechte kansen op de arbeidsmarkt, een laag inkomen, armoede, kinderen met leerproblemen.

Om deze ongelijkheid te doorbreken wordt in de VS in het onderwijs een beleid gevoerd van positieve actie (affirmative action). Voor studenten uit minderheidsgroepen gelden minder strenge toelatingseisen. Zij hoeven niet te concurreren met studenten uit andere groepen: de toegang tot de universiteit wordt bepaald door onderwijsprestaties in relatie ten opzichte van anderen binnen de minderheidsgroep.

Ook op de arbeidsmarkt wordt een beleid van positieve actie gevoerd; werkgevers moeten kunnen aantonen dat bij hun aanname- en promotiebeleid de etnische achtergrond van sollicitanten en werknemers geen rol heeft gespeeld.

Inmiddels is een omvangrijke hoeveelheid onderzoek gedaan die probeert de effecten van dit beleid te bepalen. De algemene conclusie is dat het beleid heeft gezorgd voor grotere deelname van de zwarte bevolking aan hoger onderwijs en tot een verkleining van hun achterstandspositie op de arbeidsmarkt. Nog lang niet alle verschillen zijn echter weggenomen.

Eind juli is in de staat Californië een begin gemaakt aan wat het einde lijkt van het positieve-actiebeleid. Het bestuur van de Universities of California - de publieke universiteiten van Californië die onderwijs op hoog niveau aanbieden en alleen de besten studenten werven - heeft besloten dat ras en geslacht met ingang van het studiejaar l996/97 geen rol meer zullen spelen bij het toelaten van studenten.

Als gevolg hiervan zal het aantal zwarte studenten aldaar naar verwachting met 40 tot 50 procent afnemen. Hiervan zullen vooral de studenten van Aziatische afkomst profiteren: het aantal studenten uit deze groep zal, zo wordt verwacht, met 40 tot 50 procent toenemen.

Het afschaffen van positieve actie in het hoger onderwijs is genomen na een actieve campagne van de Californische gouverneur Pete Wilson. Het belangrijkste motief voor afschaffing van positieve actie op universiteiten lijkt vooral politiek opportunisme. Zo is Wilson in de strijd voor de nominatie van de Republikeinse kandidatuur voor de presidentsverkiezingen in 1996.

Ook andere prominente Republikeinen hebben dit punt overgenomen. Senator Robert Dole (ook een Republikeinse runner-up) heeft al wetgeving aangekondigd die een einde maakt aan alle vormen van voorkeursbehandeling in de VS.

Deze maatregelen lijken vooral te kunnen rekenen op sympathie van dat deel van de bevolking dat zich door de maatregelen benadeeld voelt. Het gaat dan men name om blanke mannen uit de lagere sociaal-economische milieus.

Inhoudelijke argumenten voor de afschaffing van positieve actie kunnen de Republikeinen ontlenen aan het vorig jaar verschenen boek The Bell Curve. Dit boek lijkt er ook voor te hebben gezorgd dat het afschaffen van positieve actie op de politieke agenda kwam. Volgens de auteurs van dit boek (Herrnstein en Murray) is het positieve-actiebeleid zo succesvol geweest dat hierdoor studenten uit minderheidsgroepen zijn oververtegenvoordigd in het hoger onderwijs. En dat er, bij een gegeven IQ, vrijwel geen sprake meer is van een slechtere arbeidsmarktpositie van minderheden.

Dat er toch nog verschillen bestaan tussen de maatschappelijke posities van verschillende groepen is volgens de auteurs terug te voeren op verschillen in cognitieve aanleg. En omdat cognitieve aanleg volgens de auteurs in belangrijke mate genetisch is bepaald, valt er aan de nog bestaande maatschappelijke verschillen weinig te doen.

Waar deze 'studie' echter volledig aan voorbij gaat is dat de cognitieve vaardigheden van zowel blanke als zwarte bevolking in de loop van de tijd toenemen. En dat waarschijnlijk juist als gevolg van het positieve-actiebeleid het verschil tussen de gemiddelden van beide in de loop van de tijd afneemt.

WAT valt er voor Nederland te leren van de ervaringen met positieve actie in de Verenigde Staten? De eerste les is dat het beleid verzet wekt bij groepen die ook in een achterstandspositie verkeren (laag inkomen, geen werk, enzovoort) maar niet tot een minderheidsgroep behoren. Voorkomen moet daarom worden dat de rekening van het beleid eenzijdig bij een kleine groep terecht komt.

Dat is niet nieuw, want ook Janmaat en Bolkestein lijken zich vooral op deze groep te richten als zij over minderheden spreken.

De tweede les is dat positieve actie stigmatiserend en contraproduktief kan werken. Positieve actie is bedoeld om verschillen in kansen te verkleinen. Indien er echter een samenhang is tussen etnische afkomst en vaardigheden en deze samenhang door het onderwijssysteem niet wordt geëlemineerd, wordt etnische afkomst op de arbeidsmarkt gebruikt als selectiemiddel. Grotere kansen in het onderwijs leiden dan tot geringere kansen op werk.

De derde les is dat er vooraf normen dienen te worden vastgesteld waaraan de doeltreffendheid van het gevoerde beleid kan worden getoetst. Het belangrijkste punt dat Herrnstein en Murray in hun boek kunnen maken is dat etnische minderheden minder hoeven te presteren om dezelfde schooldiploma's en banen te verwerven. Dat zal bij positieve actie altijd in zekere mate het geval zijn.

De vraag is alleen of te voren vast staat hoe ver men daarin wil gaan. Dat bepaalt dan ook wanneer positieve actie kan worden beëindigd. En uiteindelijk gaat het toch, zo is de bedoeling, om een tijdelijke maatregel.

Wim Groot en Hessel Oosterbeek zijn werkzaam bij respectievelijk de Rijksuniversiteit Leiden en de Universiteit van Amsterdam. Momenteel zijn zij visiting scholars aan de Universiteit van Californië in Berkeley.

Meer over