Analyse

Vooralsnog was prins Bernhard slechts verdachte in de Lockheed-zaak

In een wekelijkse serie kijken we terug op hoe de Volkskrant de afgelopen 100 jaar verslag deed van historische gebeurtenissen. Deze week: wat was de rol van prins Bernhard in de Lockheedaffaire?

Prins Bernhard en Lockheed-manager Robert E. Gross in Los Angeles, 1956. Beeld anp
Prins Bernhard en Lockheed-manager Robert E. Gross in Los Angeles, 1956.Beeld anp

Het zou een van de grote thema’s van het jaar 1976 worden: de Lockheedaffaire. In februari tekende de omvang van de zaak zich al af in de Volkskrant: vrijwel dagelijks was er wel iets over te lezen op de voorpagina. Eerder die maand had Carl Kotchian, de bestuursvoorzitter van de Amerikaanse vliegtuigfabrikant Lockheed, tijdens een hoorzitting in de Amerikaanse Senaat verklaard dat zijn bedrijf steekpenningen had uitbetaald aan invloedrijke mannen in meerdere Europese landen. Een van hen was ‘een hoge regeringsfunctionaris in Nederland’. Kort daarop werd duidelijk dat hij op prins Bernhard had gedoeld, die informeel en formeel – hij was inspecteur-generaal der krijgsmacht – enige invloed had op de aanschaf van defensiematerieel, zoals gevechtsvliegtuigen die zouden moeten worden aangeschaft ter vervanging van de verouderde Lockheed F-104 Starfighters – waarvan er geregeld een neerstortte.

De Nederlandse regering had op die onthulling gereageerd met de benoeming van een Commissie van Drie – een formule waarnaar ze wel vaker greep bij heikele (constitutionele) kwesties. Die commissie, onder voorzitterschap van de jurist André Donner, moest uitzoeken of prins Bernhard inderdaad de persoon was op wie Kotchian had gedoeld, en of bij de plaatsing van vliegtuigorders sprake was geweest van beïnvloeding door derden.

Wat opvalt in de verslaggeving over de zich ontwikkelende affaire, is dat de Volkskrant zich onthoudt van speculaties – waar de rolbezetting toch wel toe zou uitnodigen – en dat ze evenmin aanstalten lijkt te maken om zich zelf te verdiepen in de eventuele rol van prins Bernhard. Met respect voor het koningshuis zal dat niets te maken hebben gehad, gezien de mantel van progressiviteit waarin de Volkskrant zich sinds enige tijd hulde. Het zal eerder te maken hebben gehad met de onvolgroeide staat van de onderzoeksjournalistiek van die jaren. En misschien ook wel met vertrouwen in de Commissie van Drie, en in het oordeel van het progressieve kabinet-Den Uyl.

Erg veel haast betrachtte Nederland in februari 1976 overigens niet bij de waarheidsvinding. ‘Volgens de Nederlandse ambassade in Washington heeft de Nederlandse regering nog geen verzoek gedaan aan de Amerikaanse regering om namen te openbaren’, schreef de Volkskrant op 19 februari, een kleine twee weken nadat het balletje was gaan rollen. De regeringen van andere landen die eveneens met de Lockheedaffaire in verband waren gebracht, legden een grotere voortvarendheid aan de dag. Maar voor de Volkskrant was dat vooralsnog geen reden om de regering tot meer daadkracht aan te sporen.

Wel plaatste ze een interview ‘van onze verslaggever’ met Roderick Maltman Hills, chef van de Amerikaanse beurscommissie. Die was beducht voor de imagoschade die Lockheed het hele Amerikaanse bedrijfsleven had toegebracht, maar vertrouwde eveneens op de effectiviteit van de Senaatscommissies die naar aanleiding van de Lockheedaffaire in het leven waren geroepen. Maar hij zag ook een mooie taak voor de media weggelegd. ‘Die commissies doen hun werk goed, maar ze kunnen soms niet alles in de openbaarheid brengen. Daartoe worden ze dan van bovenaf geprest, en dan gaan jullie, journalisten, een belangrijke rol spelen. Er ontstaan dan namelijk lekken.’

Het waren andere tijden. Als dat niet kan worden opgemaakt uit het voorgaande citaat, blijkt het wel uit de mededeling van de verslaggever dat hij ‘een speciaal pasje’ had moeten tonen om het gebouw van de beurscommissie binnen te komen.

Meer over