Voor Kok geen dure aanspreektitel

Na zijn vertrek kan premier Kok nog een jaar lang beschikken over een werkkamer, auto met chauffeur en zelfs secretariële ondersteuning....

Nederlandse premiers weten het al jaren: in het buitenland worden vertrekkende regeringsleiders nog jaren respectvol aangesproken of voorzien van secretariële ondersteuning. In de Verenigde Staten is het zelfs een normale zaak dat ex-presidenten als 'Mister President' door het leven gaan en miljoenen krijgen toegewezen voor een bibliotheek.

Den Haag kan veel leren van het buitenland, zoals van Parijs. Franse ex-premiers worden aangesproken als 'monsieur le premier-ministre', ook als hun ambtstermijn er al twintig jaar opzit. Die lange adem geldt niet voor hun wachtgeldregeling. Deze duurt maar zes maanden.

Voormalig premier Lionel Jospin, zojuist afgeserveerd, heeft onlangs afgezien van alle privileges in de sfeer van secretaresses en kantoorruimte waar hij recht op had. Ex-presidenten hebben het nog beter getroffen. Er is maar één oud-staatshoofd die nog leeft, Valéry Giscard d'Estaing. Hij beschikt over een kantoor, een secretaresse, een auto en woonruimte op kosten van de staat.

Hij krijgt een half presidentssalaris tot zijn dood, ongeveer 5000 euro per maand. Na zijn overlijden, krijgen zijn weduwe en kinderen de helft tot die laatsten volwassen zijn. Zonder twijfel is voor hem echter het belangrijkste dat hij respectvol wordt aangesproken: 'Monsieur le président'.

In het Verenigd Koninkrijk gaan ze minder ver. Ex-premiers van Groot-Brittannië krijgen de gebruikelijke wachtgeld- en pensioenregeling voor parlementariërs. Daarnaast wordt er uit de publieke middelen geld uitgetrokken voor hun beveiliging, wat afhankelijk van de dreiging van tijd tot tijd wordt herzien. Maar de Britse belastingbetaler hoeft niet op te draaien voor kantoorruimte of een privé-secretaris. Er leven nog vier voormalige premiers: Heath, Callaghan, Thatcher en Major.

Belgische bewindslieden, premiers incluis, hebben in beginsel geen recht op bijzondere voorzieningen als zij vertrekken. In dat opzicht lijkt hun situatie op die van de Nederlandse collega's. Als bewindslieden eerder tot parlementariër waren verkozen en gewoon weer in de Senaat of Kamer van Volksvertegenwoordigers plaatsnemen, vallen ze terug op het daar bijbehorende salaris.

Wie de politieke arena verlaat, heeft recht op een 'afscheidsvergoeding'. Het aantal dienstjaren is bepalend voor de hoogte ervan. Wel kunnen ex-ministers rekenen op steun van een universitair medewerker en een personeelslid voor uitvoerende taken.

In de VS worden ex-presidenten voor de rest van hun leven flink in de watten gelegd. Afgezien van een royaal pensioen, dat onlangs is verhoogd, krijgt een president bij zijn vertrek ook andere emolumenten. Hij krijgt enkele limousines, een aantal lijfwachten van de Secret Service en een ruime toelage om er een kantoor plus staf op na te houden.

Daarnaast draagt de overheid ook een deel van de kosten van de presidentiële bibliotheken waarin de archieven en allerlei relieken worden opgeslagen. President Clinton haalde zich bij zijn vertrek veel kritiek op de hals, omdat hij een peperduur kantoor wilde betrekken in het hartje Manhattan. Alleen al aan huur zou dat de overheid op 700 duizend dollar per jaar kosten. Uiteindelijk koos Clinton voor een veel goedkopere en politiek veel correcter locatie: in de zwarte wijk Harlem.

Een Duitse kanselier krijgt na beëindiging van zijn functie een overgangssalaris, net zo lang als hij kanselier is geweest, met een maximum van drie jaar. De eerste drie maanden krijgt hij zijn volledige loon plus toeslag, daarna de helft. Bewaking krijgen de oud-kanseliers pas als de politie daar aanleiding toe ziet.

Meer over