VN: na Koude Oorlog Koude Kermis?

De nota van minister Zalm over Nederland als nettobetaler in Europa kan volgens Hans van Mierlo tot een verkeerd beeld leiden....

HANS VAN MIERLO

OP 26 januari meldde een krantenkop: 'Raket doet Jeltsin naar 'knop' grijpen.' Die knop heeft hij niet aangeraakt, wel deed hij voor het eerst sinds jaren zijn nucleaire koffertje open en activeerde het systeem om een - naar later bleek - onschuldige Noorse onderzoeksraket te laten volgen. Het gaat mij niet om de details van dit incident, wel om het beeld van die Knop uit die totaal andere wereld van vóór 1989.

Toen aan Stalin werd gemeld dat de Sovjets een waterstofbom hadden, zou hij gezegd hebben: 'Dan zal er vrede zijn' Op die ijzeren logica was het systeem van de nucleaire afschrikking gebaseerd. Er heerste de vrede van de atoombom, maar de prijs werd aan gene zijde van de Muur betaald.

In die tijd is een morele verplichting ontstaan die nu, na de 'Muur', op ons bord ligt.

Dat de schaalvergroting van veel problemen om een Europese aanpak vraagt, verdraagt zich nog onvoldoende met de nationale psychologische en politieke cultuur in de meeste van onze lidstaten. Tenzij het water naar de lippen dreigt te stijgen: dan klinkt de roep om bijvoorbeeld een Europese aanpak van rivierproblemen ineens acuut.

Het spanningsveld tussen de nationale cultuur enerzijds en de bovennationale aard van problemen anderzijds vormt de politieke kern van het verdiepingsvraagstuk en daar moeten wij oog voor hebben op weg naar de Intergouvernementele Conferentie van 1996. Meer publieke discussie maar ook meer politieke overtuiging en transparantie is dus gewenst, om niet opnieuw met verrassingen geconfronteerd te worden. Het democratisch tekort moet kleiner worden, uiteraard via het Europees Parlement, maar mogelijk ook door de ruimte tussen nationale parlementen en EP meer te benutten.

Ik volsta er hier mee onze belangen bij de verdere ontwikkeling van de Unie samen te vatten: behoud van de communautaire rechtsorde, in het volle besef dat op vele gebieden een intergouvernementele aanpak vooralsnog het maximaal haalbare is; consolidatie van de interne markt met in het perspectief daarvan de EMU; behoud van interne en externe slagvaardigheid. Plaatst men dit in het perspectief van de uitbreiding naar het oosten, dan is duidelijk dat de positie van Nederland goed doordacht moet worden.

Dezer dagen brengt Financiën de nota 'De Nederlandse netto-positie ten aanzien van de Europese Unie' uit. Deze geeft een helder feitelijk beeld van de ontwikkeling van onze financiële lasten van het lidmaatschap van die Unie. Ik onderschrijf de feitelijke inhoud van die nota. Niettemin zou ik willen waarschuwen voor het gevaar dat zo'n nota tot een verkeerd beeld van de Europese integratie leidt.

Het begrip 'netto-positie' is slechts een beperkte invalshoek; immers het slaat alleen op de saldering van enerzijds onze afdrachten naar 'Brussel' en anderzijds van de bedragen die vanuit verschillende Brusselse fondsen aan Nederland ten goede komen.

Dat is iets heel anders dan de afweging van onze voordelen bij de Europese integratie tegenover de financiële kosten daarvan. Die voordelen zijn immens groot en onmogelijk te kwantificeren. Het gaat om zaken als de politieke stabiliteit, om ons grote macro-economische profijt - zeker in onze 'gateway to Europe' functie - bij de interne markt. Het begrip 'netto-betaler' kan ten onrechte de suggestie wekken dat Nederland er in Brussel maar een beetje bekaaid vanaf komt. Wat de begrotingscijfers betreft, moeten we ook niet vergeten dat Nederland jarenlang zelf netto-ontvanger is geweest. Een van de belangrijkste redenen dat wij nu netto-betaler zijn geworden, is gelegen in de hervorming van het landbouwbeleid. Maar juist die hervorming levert voordelen op, die in geen verhouding staan tot de budgettaire lasten die ermee zijn gemoeid.

Die hervorming leidt tot een meer marktconform landbouwbeleid met een verschuiving van prijssteun naar inkomenssteun. De consument betaalt daardoor veel minder aan landbouwprodukten en iets meer aan de schatkist.

DE transatlantische relatie is niet los te zien van onze Europese omgeving. Die constatering geldt al vijftig jaar, maar het kost - gezien de politieke aardverschuivingen sedert 1989 - veel meer moeite om aan beide kanten van de oceaan haar evidentie even scherp als voorheen te zien.

Allereerst ontviel aan de transatlantische relatie met het verdwijnen van de oude Sovjet-Unie het oudste en in veler ogen concreetste bindmiddel: het vijandbeeld. Ook moeten we rekening houden met een VS die zich in toenemende mate met de grote binnenlandse problemen zal bezig houden, maar mogen wij, gezien de omvang daarvan, eigenlijk anders verwachten? En is het verwonderlijk dat de enorme dynamiek in Oost-Azië de Amerikanen niet onberoerd laat? Overigens ontmoeten zij in het Nafta-proces ook economische integratieproblemen die de Europeanen al zo lang kennen.

Aan de andere kant kan men constateren dat de VS en de EU nog steeds elkaars belangrijkste economische partners zijn. De investeringscijfers spreken boekdelen. Maar deze economische cijfers moet men vooral zien in het licht van de transatlantische ruimte als gemeenschap van waarden inzake recht en democratie. En is deze gemeenschap politiek en economisch niet nog immer de belangrijkste drager van het internationale systeem als geheel? We zullen dus hoofd- en bijzaken moeten onderscheiden opdat het wederzijds strategisch belang weer helder in beeld komt.

Voor Europa betekent dit allereerst zichtbaar te maken dat het haar nu menens is om meer voor de eigen veiligheid zorg te dragen.

De veiligheidsproblematiek van het Europese continent is vooral door het onzekere transformatieproces in de voormalige SU, zo gecompliceerd en omvangrijk - denk alleen al aan de risico's van nucleaire proliferatie - dat louter Europese oplossingen niet aan de orde kunnen zijn. Ook in een land als Frankrijk wordt dit steeds meer erkend.

De schaal van de problematiek vraagt om een Eurotransatlantische aanpak, nog afgezien van het feit dat de Amerikanen hun eigen belang hebben bij de ontwikkelingen in en rond de tweede kernmacht ter wereld. Projectie van stabiliteit naar het oosten kan derhalve alleen in een nauwe samenwerking tussen EU, WEU, NAVO en OVSE tot stand komen.

Laten we onszelf overigens niet wijs maken dat alles binnen die transatlantische relatie vroeger steeds koek en ei was. Zo ging in de jaren zestig een aantal prominente Europeanen naar Washington, vervuld van enige twijfel over Amerikaanse intenties. Een van hen vroeg aan de toenmalige onderminister van Buitenlandse Zaken George Ball: 'Is it true that the US has lost interest in European integration?' Het antwoord was kort en bondig: 'Do something interesting!' Dat kunnen wij Europeanen nog steeds ter harte nemen.

Over naar onze mondiale omgeving. Vorig jaar verscheen een sterk tot de verbeelding sprekend artikel van Richard Kaplan - eigenlijk een mondiaal griezelscenario - onder de titel The coming Anarchy. Door 'in te zoomen' op een aantal volledig desintegrerende Westafrikaanse landen als Sierra Leone en Libera - 'failing states' - schetste hij een scenario dat hij een mondiaal perspectief gaf. Dat kan ons aller toekomst zijn, was zijn boodschap en zo zette hij de samenhang van milieudegradatie, demografische ontsporing, armoede, geweld en voortdurend bewegende machtscentra op aangrijpende wijze uiteen. Op zijn journalistiek meesterwerkje is wetenschappelijk ongetwijfeld het nodige af te dingen maar dat terzijde. Kaplan wil onze complexer geworden, multipolaire wereld in zijn uiterste consequenties laten zien, wanneer onze pogingen de mondiale problemen te beheersen falen.

Het is een scenario waarin hoogstens een klein aantal erfgenamen van de Verlichting zich zullen weten te redden, maar wel omgeven door een grote groep verliezers. Het scenario is een grote uitdaging aan instituties als de VN. Wie de oplossing van dergelijk chaos louter aan de markt zou overlaten, laat deze eigenlijk aan het geweld over.

In het licht van de enorme schaal van de mondiale problemen kan de 'markt' niet het laatste toverwoord zijn. Goede marktwerking is onmisbaar, maar naast de goede kanten van de markt is er ook het dubieuze aspect aan dat deze kan fungeren als alibi voor het onrecht dat geschiedt: 'Dat heb ik niet gedaan, dat heeft de markt gedaan.'

De mondiale problematiek raakt ook aan de Nederlandse constitutioneel vastgelegde opdracht tot bevordering van de internationale rechtsorde.

Terecht werd de 'Agenda for Peace' (het programma van VN-secretaris Boutros Ghali - red.) bij zijn verschijnen geprezen. Het was een intelligent antwoord op de vragen waarvoor de VN stond na de Koude Oorlog. De Veiligheidsraad verloor zijn verkramping en durfde zelfs kritisch naar het sacrosancte begrip soevereiniteit te kijken. Eindelijk zou de VN zijn opdracht kunnen waarmaken om conflicten - waarvan de meeste binnen staten - integraal aan te pakken. De beperkte 'peace-keeping' zou uitgebouwd worden naar de veel meer omvattende 'post conflict peace-building', waar het gehele politieke, militaire en economische instrumentarium van de VN tot zijn recht zou komen. Daarnaast kwam het grote belang van preventieve actie in beeld.

Sinds zijn verschijnen in 1992 hebben we de nodige ervaring met die Agenda opgedaan. Zó veel - zeg maar Somalië, ex-Joegoslavië, Cambodja, Mozambique, Rwanda, Angola, met alle associaties die deze reeks oproept - dat het mogelijk is een eerste balans op te maken. Dat is hard nodig en men is er in New York dan ook mee begonnen.

De VN kwam tot nieuwe bloei na de Koude Oorlog. Is de VN inmiddels aan het thuiskomen van een koude kermis? Begrijp mij goed, mijn taak is niet om het bij dit cynische woordenspel te laten. Wij zullen in die discussie actief zijn, juist om de VN te behouden voor de onmisbare opdracht om - hoe moeilijk ook - onze complexere wereld enigszins te beheersen.

TOT slot toch nog iets over uw werk. Multilaterale activiteit heeft een enorme vlucht genomen en dat zal ook niet afnemen. Maar vergeet het bilaterale werk niet in een wereld waarin het aantal natiestaten nog steeds groeit. Bovendien komt het resultaat van onze inspanningen binnen bijvoorbeeld de Unie niet zomaar uit de supra-nationale lucht vallen!

Naarmate internationale globalisering en schaalvergroting doorzetten, zal Nederland steeds scherper op zijn 'saeck' moeten letten.

H.A.F.M.O van Mierlo is minister van Buitenlandse Zaken. Dit is een verkorte versie van een toespraak die hij gisteren in Den Haag hield voor aankomende diplomaten.

Meer over