Vlinders kiezen de wind mee

Trekkende insecten dwarrelen niet simpelweg mee op de wind. Ze kiezen hun snelheid en corrigeren hun koers...

Door Ben van Raaij

Vlinders, motten en andere insecten zijn onverwacht goede vliegers. Ze dwarrelen allerminst mee met de wind, maar leggen op efficiënte wijze duizenden kilometers af en doen daarin niet onder voor trekvogels, blijkt uit een Britse studie in het tijdschrift Science van 5 februari.

Veel vlinders en motten, zoals de atalanta, de gammauil en de distelvlinder, trekken in de herfst vanuit West-Europa zuidwaarts om in de warme gebieden rond de Middellandse Zee te overwinteren. In de lente keren ze terug om zich voort te planten. Een groot raadsel was altijd hoe de fragiele migranten die trektochten tot een goed einde wisten te brengen.

De onderzoekers (van het Britse landbouwinstituut Rothamsted en de universiteiten van Exeter, Greenwich en York) gebruikten twee opstellingen van entomologische radarapparatuur om tijdens bijna 600 massamigratie-‘events’ het vlieggedrag van zwermen vlinders en motten overdag en ’s nachts honderden meters boven de grond te kunnen volgen.

De insecten blijken handig mee te liften op rugwind. Ze kiezen afhankelijk van het seizoen de vlieghoogte waar de wind het hardst waait. Zo bereiken ze snelheden tot 100 kilometer per uur, sneller dan veel trekvogels. Door voor zijwind te corrigeren, voorkomen ze afdrijven en blijven ze op koers. Zo weten de insecten de grootste afstand af te leggen in de minste tijd. Een tocht van duizenden kilometers kost ze maar enkele dagen.

Stofdeeltjes
De onderzoekers vergeleken de radargegevens van de migrerende vlinders en motten met een computermodel voor ‘atmosferische dispersie’ van de Britse meteorologische dienst (Met Office), dat het transport van door de wind meegevoerde stofdeeltjes simuleert. Het blijkt dat de insecten gemiddeld 40 procent verder vliegen (soms ook tweemaal zo ver) en dichter bij hun voorkeursrichting blijven dan hypothetische insecten die meedrijven met de wind.

‘Een mooi stuk, met deels nieuwe uitkomsten van een groep met een lange traditie in migratieonderzoek’, oordeelt entomoloog en vlinderspecialist Erik van Nieukerken van Naturalis in Leiden. ‘We wisten natuurlijk allang dat vlinders en motten trekken, en we zien dat ook in onze vangsten, maar blijkbaar doen ze het veel actiever dan we tot nu toe vermoedden.’

De uitkomsten kunnen volgens de Britse onderzoekers van belang zijn voor de bestrijding van toekomstige insectenplagen. Door de klimaatverandering zullen steeds meer insecten steeds vaker noordwaarts trekken dan nu, en kan de landbouw geconfronteerd worden met nieuwe lastpakken.

Je ziet inderdaad dat bepaalde plagen zich uitbreiden door de warmere winters, aldus Van Nieukerken. ‘Het gaat met name om motten uit Zuid-Europa die zich voeden met een breed spectrum aan planten, zoals sommige soorten nachtuiltjes. Die treffen we steeds vaker in West-Europa aan. Een deel ervan komt uit kassen, maar de meeste zullen via migratie in onze contreien belanden.’

Meer over