Vliegen en biefen: de vrijheid ervaren per bolknak

Het terras van café-restaurant de Thermiekbel is fantastisch. Aan onze voeten liggen kilometers heidevelden zachtjes te zinderen onder de namiddagzon....

Dan onverwacht, volkomen geruisloos, scheert een wit vliegtuigje met grote snelheid voor het terras langs. Met een bons raken de piepkleine wieltjes de ongelijke grond. Een meter of twintig, dertig hobbelt het toestelletje over het veld en komt dan toch nog abrupt tot stilstand, de ene vleugel op de grond, de ander schuin naar de lucht wijzend, als een aangeschoten meeuw.

Even kriebelt de twijfel. Moet ik wel in zo'n ding? Kan ik niet beter lekker blijven zitten en aangenaam langzaam dronken worden tegen het decor van de ondergaande zon? Nonsens, onzin, zegt Ron de Haan, die ik moeiteloos zou zien rondlopen in een showroom met dure automobielen. Wie kan fietsen kan ook zweefvliegen. En gevaar? 'Er is nog nooit een zweefvlieger in de lucht gebleven. Of neergestort op de Bijlmer.' Vliegeniershumor.

Het zweefvliegen in Nederland lijdt onder het imago van exclusiviteit, legt De Haan uit. Hoe het komt weet hij niet precies, maar het schijnt dat veel mensen zweefvliegen beschouwen als een elitaire sport. Oké, het simpelste toestel kost toch al 35 duizend gulden. Maar voor twee mille in het jaar ben je lid van een club en kun je naar hartelust het stukje vrijheid ervaren dat zo kenmerkend is voor deze sport, aldus De Haan.

Om het zweefvliegen te promoten heeft hij met zijn organisatie Soaring Support samen met de Arnhemse VVV een arrangementje bedacht. Voor 125 gulden kun je op zweefvliegbasis Terlet een proefvlucht maken en daarna in de Thermiekbel genieten van een pilot's dinner. Een avondje 'vliegen en biefen', aldus de vliegers in hun onuitputtelijke jargon.

Vijf mensen hebben zich opgegeven voor hun luchtdoop. Gert, een boom van een fysiotherapeut, en Henk hebben het uitstapje voor vaderdag gekregen. Henks vrouw Hedwig gaat ook mee de lucht in. En Hanneke uit Nijmegen heeft de luchtdoop gekregen voor haar verjaardag.

Met de auto gaat het over een zandweg naar 'de strip', waar de luchtleiding zetelt in plastic tuinstoelen voor een stacaravan. Een groepje hangt wat rond, voornamelijk mannen, wachtend tot ze de lucht in kunnen. Op een veldje staan de kisten: spierwitte, langvleugelige bolknakken met mysterieuze opschriften als PH-860 en PH-1057. Zelfs als ze stil staan hoor je de wind bijna suizen langs hun spannend gestroomlijnde contouren.

Dat kun je niet zeggen van de PH-354, onze kist. Geen ranke witte meeuw, maar een dikke zachtgele bromvlieg met blauwe randen. De PH-354, bouwjaar 1963, is een old timer, opgetrokken uit metalen pijpen, doek en triplex. 'Allemaal handwerk', zegt de trotse bezitter Bert Strijk, hoogleraar in de vut, het vleesgeworden Zwitserleven-gevoel.

De PH-354, doopnaam Björn, wat beer betekent, is een 'goeiig' toestel, zegt Strijk. Niet pijlsnel, maar wel licht en wendbaar. Hij vliegt al tien jaar zonder problemen. Een paar keer heeft hij zijn toestel in een weiland 'aan dek moeten zetten', maar dat hoort erbij.

Gert, Hedwig en Hanneke ondergaan hun luchtdoop zonder problemen. Dan is het mijn beurt. Voorzichtig laat ik me in het cockpitje zakken. Strijk snoert me vast en neemt achter me plaats. Nog een keer gaan we samen alle instrumenten en metertjes langs, dan gaat de kap dicht. Een touw dat verbonden is met een onzichtbare lier in de verte wordt aan de neus van het vliegtuig gehaakt. Op een teken wordt het touw strakgetrokken en met grote snelheid ingehaald.

Als een vlieger worden we in de lucht geslingerd. De zon, die zo even nog gerustellend boven de horizon stond, verdwijnt achter mijn voeten die bijna recht naar boven steken. Een seconde of tien, ik vergeet te tellen, klimmen we met honderd kilometer per uur. Dan laat de haak met een harde klap los, de neus duikt naar voren. Mijn maag doet een onverhoedse uitval naar mijn strottehoofd, maar dan glijden we netjes rechtuit door de lucht.

Onder ons schuift de Veluwe voorbij, de wind zoeft langs de plastic cockpit. We hebben pech, zegt Strijk, de lucht is afgekoeld, er is nauwelijks thermiek meer. In de verte draait een wit toestel boven een bos. Dat wil nog wel eens lukken, zegt Bert, die koers zet naar het bos. Even komt de stijgingsmeter boven de nul uit, we stijgen drie decimeter, een halve meter. Maar al snel zakt de meter onder nul en moeten we terug richting vliegveld.

Met een wijde bocht over de snelweg hebben we de landingsbaan weer voor ons. Met een plof zet Strijk het toestel aan de grond, vijf minuten nadat we de lucht in zijn gegaan. Zeven minuten duurde mijn stukje vrijheid, beweert het doopvluchtcertificaat. Het heeft een mooi plekje gekregen tussen een Oostenrijks bergdiploma en het duikboekje uit Thailand.

Mac van Dinther

Meer over