Visionaire vergezichten helpen Europa niet verder

Terwijl de EU worstelt met het perspectief van uitbreiding tot 27 leden en de groeiende onverschilligheid van de burgers, ontvouwen politieke leiders plotseling hun toekomstvisie....

DE grootste bedreiging voor de EU is dat de burgers afhaken. Het Ierse referendum waarin het Nice-verdrag wordt afgewezen, is opnieuw een teken aan de wand. De Europese leiders proberen zij nu een breed publiek debat aan te zwengelen. En de een na de ander lanceert zijn Europese vergezicht.

Na Fischer, Chirac, Blair, Verhofstadt, Prodi en Jospin konden Van Aartsen en Benschop niet achterblijven. Zij presenteerden vorige week alsnog een Nederlandse toekomstvisie. Deze visionaire dadendrang is opmerkelijk, omdat de Europese regeringen decennia een discussie over de lange termijn zorgvuldig hadden vermeden. De reden was dat er totaal verschillend over werd gedacht en de urgentie ontbrak om er ruzie over te maken. De Europese integratie ging toch wel voort zolang men het maar eens kon worden over de volgende kleine stap.

Direct nadat de Europese staatslieden in Nice met de grootste moeite tot minimale aanpassingen hadden besloten, gingen ze pleiten voor 'fundamentele institutionele hervormingen' in verband met de komende uitbreiding. De EU dient volgens hen slagvaardiger en doorzichtiger te worden en de burger moet zich er veel meer in herkennen. Helaas is dit collectief gerijpte inzicht misleidend.

De besluitvorming met bijna twee keer zoveel leden zal hoe dan ook moeizamer verlopen. Dat zal de betrokkenheid van de burger niet ten goede komen. Veel nieuwe ideeën worden bovendien eerder ingegeven door politieke lafheid dan door de behoefte de EU voor te bereiden op de uitbreiding. Politici spelen liever in op de angst van burgers voor een ongrijpbare machtsverschuiving naar Brussel dan dat zij hun kiezers uitleggen dat de nieuwe toetredingen onvermijdelijk afbreuk zullen doen aan de nationale soevereiniteit: elk land wordt deel van een groter geheel.

Een voorbeeld van deze politieke angsthazerij is het heilloze voorstel om tot een definitieve verdeling van competenties te komen tussen de Europese instellingen en de lidstaten. De ervaring leert dat zo'n afbakening niet mogelijk is vanwege onvoorziene maatschappelijke ontwikkelingen: wat eerst taboe is, wordt later geaccepteerd omdat de noodzaak is gebleken, zoals het opgeven van de nationale munt of verregaande samenwerking op het gebied van justitie of defensie.

Al even dwaas is de suggestie om een senaat van nationale parlementsleden in te voeren. Dit zou de doodsklap zijn voor de slagvaardigheid in een Unie van 27 lidstaten. Zo'n orgaan is geheel overbodig naast het Europees Parlement (EP) en de nationale volksvertegenwoordigingen.

De lang sluimerende vrees voor een fundamentele richtingenstrijd bij het aangaan van een lange termijn debat blijkt nu gerechtvaardigd. Het gaat om versterking van de Europese instellingen (Commissie, EP, Hof) tegenover meer macht bij de regeringen (Europese Raad van regeringsleiders en Raad van Ministers). Deze opvattingen hebben veelal diepe, politieke en maatschappelijke wortels, waardoor landen er zeer moeilijk van af te brengen zijn. Alle recente visionaire toespraken waren dan ook eerder bedoeld om de nationale achterban te bedienen dan om Europa vooruit te helpen. De confrontatie van de verschillende 'nationale' visies met Europa krijgt bovendien een principieel karakter, waardoor concessies gelijk staan aan politieke zelfverloochening. Europese politici willen daar niet aan, zeker als de urgente noodzaak ontbreekt. En dat is bij lange termijn beleid per definitie het geval. Elk vergaand idee stuit op onoverkomelijke weerstand van een meerderheid of substantiële minderheid van lidstaten. Het is dan ook uitgesloten dat Europa op korte termijn ten principale voor één richting zal kiezen.

De Nederlandse regering stelt terecht dat de structuren moeten worden aangepast aan beleidsmatige behoeften en ziet dus niets in definitieve blauwdrukken. Wel wordt het belang van de Europese Raad en de Raad van Ministers meer benadrukt dan voorheen ('essentiële rol'). Tevens moet de positie van de Commissie, het EP en de nationale parlementen worden versterkt. In haar poging de kool en de geit te sparen wil de regering alle betrokken instituties meer te zeggen geven. Dat is onmogelijk omdat versterking van de ene instelling ten koste gaat van de andere.

Verder stelt Nederland aan de bevoegdheidsverdeling tussen Europa en de lidstaten de voorwaarde dat deze niet statisch mag zijn en aangepast moet kunnen worden als het beleid dat vergt. Zeer juist, maar onder deze conditie wordt het vaststellen van een toekomstige taakafbakening uiteraard een loze exercitie. Er is blijkbaar moed voor nodig om in een klimaat van toenemend wantrouwen jegens Brussel ondubbelzinnig te kiezen voor verdere europeanisering. Dat er nu onvoldoende steun is voor deze benadering betekent niet dat ze op de lange termijn geen kans maakt.

Integendeel, een EU van 27 of meer lidstaten dreigt onbestuurbaar te worden door de vele botsende nationale belangen. Daarom zal in een uitgebreide Unie het inzicht doorbreken dat de positie van Commissie en EP, verantwoordelijk voor het gemeenschappelijk Europees perspectief, versterkt moet worden ten koste van de Raad waar de nationale invalshoek domineert. Om dit proces te bespoedigen doet Nederland er goed aan voorstellen in deze richting consequent te steunen en de andere te bestrijden.

Het vertrouwen van de burgers in Europa zal niet worden hersteld als de besluitvorming vastloopt omdat lidstaten geen zeggenschap meer wensen af te staan. Uiteindelijk gaat het de bevolking minder om het niveau waarop de beslissingen genomen worden dan om de resultaten. Veel mensen zijn bang dat de uitbreidingvan de EU naar het oosten nadelig voor hen uitpakt. Dat moet serieus worden genomen. De beste manier om de burgers bij Europa te betrekken is volstrekt eerlijk te zijn over de gevolgen van alle politieke beslissingen.

Het van bovenaf willen organiseren van een institutioneel debat voor de lange termijn bewijst hoe weinig benul veel Europese politici hebben van wat er onder de bevolking leeft. Geen wonder dat mensen wantouwend worden. Geen wonder dat referenda desastreus verlopen. Europese politiek is nog ingewikkelder dan nationale en vergt dus meer aandacht in plaats van minder. Burgers willen weten wat ze aan Europa hebben. Alleen als we hen dat duidelijk maken kunnen we voorkomen dat ze afhaken.

Meer over