Vingerafdruk is na een eeuw nog steeds nuttig

De kans op het verkrijgen van een DNA-profiel is groot bij zedendelicten, maar klein bij inbraken. Het verzamelen van de vingerafdrukken van alle Nederlanders in een nationale databank vergemakkelijkt het politiewerk....

Heeft de politie nog wat aan vingerafdrukken? Nu rechercheurs ieder haartje of huidschilfertje verzamelen voor DNA-onderzoek en de irisscan oprukt als snel en betrouwbaar identificatiemiddel, lijkt het CDA-voorstel voor een nationale databank met vingerafdrukken een anachronisme.

Toch gaan nog steeds inbrekers en moordenaars op pad zonder handschoenen aan, blijkt uit een rondgang langs onderzoekers en technici. Zo ontving het Korps Landelijke Politiediensten in Driebergen vorig jaar ruim vijfduizend afdrukken, waarvan 23 procent een hit opleverde dankzij Havank, Het Automatisch Vinger Afdrukkensysteem Nederlandse Kollectie. Daarin zitten negen miljoen vingerafdrukken van negenhonderdduizend Nederlanders, asielzoekers en illegalen.

'Als iedere Nederlander met zijn tien vingers in onze databank komt, wordt ons werk een stuk makkelijker', zegt een KLPD-woordvoerder. Maar die beslissing, onderstreept hij, is een taak van de politiek. Technisch is een databank met 160 miljoen afdrukken mogelijk.

Elke Spanjaard van 16 jaar en ouder moet langs het stempelkussen. In Nederland geldt die plicht alleen voor personen in voorlopige hechtenis en voor vreemdelingen. Van die laatste groep, bleek vorige week, worden afdrukken ten onrechte gebruikt voor de misdaadbestrijding. Vorig jaar kwamen 760 verdachte afdrukken uit deze groep, wat niet wil zeggen dat de eigenaren een misdaad hebben begaan.

Een nationale databank vraagt ook om een leger dactiloscopisten. Want het vergelijken van vingeradrukken blijft een ambachtelijk karwei. Weliswaar verricht de computer veel werk, maar uiteindelijk moet een specialist zich buigen over miniscule randjes en richeltjes. Hij moet minimaal tien overeenkomsten vinden om een vingerafdruk met voldoende zekerheid te kunnen identificeren.

Dan is de bewijswaarde ook even groot als die van een DNA-profiel. De effectiviteit van dat laatste opsporingsmiddel wordt trouwens vaak overschat. Het is waar dat misdadigers nauwelijks kunnen voorkomen een DNA-spoor achter te laten - een vlokje roos is al voldoende - maar de moeilijkheid is om dat spoor in de vloerbedekking te vinden.

Door vooral sperma- en bloedsporen is de kans op een DNA-profiel hoog bij zeden- en geweldsdelicten: 70 procent. Maar bij inbraken, schat onderzoeker A. Kloosterman van het Nederlands Forensisch Instituut, zakt die kans naar 5 procent. Desondanks breidt zijn instituut het werkterrein uit naar inbraken. 'Dan moeten DNA en vingerafdrukken elkaar aanvullen', vindt Kloosterman.

Met circa 1300 individuen in het bestand is de Nederlandse DNA-databank klein. Alleen verdachten van een misdrijf waarvoor meer dan vier jaar gevangenisstraf staat, komen erin terecht. Daarom kijken forensische onderzoekers jaloers naar Engeland waar het DNA-profiel onderdeel is van ieder strafblad. Kloosterman: 'Daar hebben ze al meer dan een miljoen profielen en enkele hits per week. Dat zou voor de opsporing in Nederland ook een grote sprong vooruit zijn.'

Een nadeel van een dergelijke databank is dat die inbreuk op de privacy in de hand kan werken. Uit DNA kan immers meer dan een identiteit worden afgeleid, maar ook het geslacht en de ethnische afkomst.

Rechercheurs honen het verhaal weg dat de politie te misleiden is door een haar van een ander op de plek van het misdrijf achter te laten . Volgens hen is het net zo eenvoudig om andermans glas op een nachtkastje neer te zetten. Bovendien houdt een politieman rekening met zo'n truc.

Meer over