Vijfentwintig jaar nahinken

HET WAS een kille en natte maandagmiddag in maart 1975. Honderden actievoerders stonden op de Sint Anthoniesluis, de grens van de Nieuwmarktbuurt in Amsterdam, met stenen in de hand toen een dragline met slingerkogel op een trailer zich door de nauwe straten perste....

Bijna twintig jaar later grommen drie draglines op de resten van het Maupoleum, een voormalig textielverkoopcentrum en kantoorkolos, om de laatste betonblokken af te voeren. Het architectonisch misbaksel uit de jaren zestig is niet meer, de autoweg loopt dood op de Sint Anthoniesluis. Daar staat een grenspaal met de tekst: 'Tot hier verdween het oude stadspatroon, van hier begon de stadsvernieuwing in deze buurt.'

Het gedenkteken herinnert aan de cultuurbreuk van 1975 in het denken over de toekomst van de stad. De actievoerders van toen kregen hun gelijk pas achteraf. Vanaf de Anthoniesluis bleef het oude stratenpatroon, ondanks de nieuwbouw, in de Nieuwmarktbuurt gespaard. Ook elders in de buurt wordt nu het massale autoverkeer geweerd. Het stadsbestuur is tot inkeer gekomen, twee decennia nadat bewoners al aanvoelden dat cityvorming en ander grootschalig denken een heilloze weg zouden zijn.

Bovenstaande planologische schets brengt fraai aan het licht hoe Amsterdam omspringt met zijn inwoners. Het gemeentebestuur hobbelt vooral achter de feiten aan in pogingen een antwoord te vinden op veranderingen in de stad. Dat besef leeft kennelijk ook in eigen gelederen. 'De geschiedenis van het gemeentelijk beleid is er een van nahinken op de realiteit', schreef vorige maand een ambtelijke werkgroep in een nota.

Dat eind jaren zestig, begin zeventig de bevolking Amsterdam massaal de rug toekeerde, kon het stadsbestuur nauwelijks deren: het was zelfs de bedoeling. Amsterdam groeide verder in de overloopgemeenten - de gemeente verdeelde zelfs de helft van de woningen in Almere. De woonfunctie in de binnenstad en de aangrenzende wijken werd verwaarloosd. In bijna 25 jaar kelderde het inwonertal van Amsterdam met circa 200 duizend.

Maar het tij is gekeerd. Amsterdam groeit weer gestaag, sinds in 1985 het dieptepunt werd bereikt, toen de stad nog slechts 675 duizend inwoners telde. Nu zijn het er 720 duizend, overigens nog ruim onder de 870 duizend van 1959, het record. Het voorlópige hoogtepunt, want gemeentelijke planologen houden al rekening met een evenaring rond 2015.

Dat de stad ' 't weer heeft', is echter moeilijk aan beleid toe te schrijven: maatschappelijke ontwikkelingen bepaalden de kentering. De stad is om uiteenlopende redenen in trek bij de nouveaux riches en de allochtonen, terwijl de economie is opgeleefd.

Dat Amsterdam achter de werkelijkheid aanliep, kon misschien ook niet anders. Het bestuur liet zich aanvankelijk leiden door prognoses die ver buiten de realiteit stonden. Tussen 1983 en vorig jaar vestigden bijna 160 duizend migranten zich in Amsterdam, 86 procent meer dan verwacht. Ook het aantal geboorten is schromelijk onderschat: in tien jaar werden, in plaats van de veronderstelde 73 duizend, meer dan 85 duizend kinderen geboren. Dat heeft zo zijn gevolgen. Tien jaar geleden nam het bestuur nog aan dat Amsterdam halverwege de jaren negentig 663 duizend inwoners zou tellen. Gaandeweg bleek dat veel te laag geschat. Het zijn er nu zestigduizend meer.

Er zijn nog meer verklaringen. Vanwege de aanleg van de westelijke tuinsteden in de jaren vijftig en zestig - een antwoord op de enorme woningnood na de oorlog - had de stad onvoldoende oog voor en greep op het woningbestand in de oude stad en de negentiende-eeuwse wijken. Onzekerheid over de toekomst van de wijken leidde tot verkrotting; de veelal particuliere huizenbezitters wachtten gelaten op een visie van de stadsbestuurders. En toen ten slotte het concept van cityvorming werd ontvouwd, bleek een intellectuele voorhoede zich al te keren tegen die grootschalige aanpak.

De leegloop van de stad zette halverwege de jaren zestig in. De toenemende welvaart maakte bewoners minder afhankelijk van de buurt en vergrootte hun beweeglijkheid: de boodschappen konden ze eigenlijk wel met de auto halen. Door de kortere werktijd hadden ze er ook nog eens alle tijd voor. Waarom zouden ze dan nog tobben in die dicht opeengepakte stad? Trouwens, in die krappe woninkjes konden ze niet eens meer hun nieuwe luxe spullen kwijt. Ze gingen de stad uit, de groene polder in: eerst in west en noord en later naar andere gemeenten, zoals Almere, Lelystad, Hoorn, Alkmaar en Purmerend. Daarmee verdween ook de levendigheid. Thuis lonkte immers de televisie en Amsterdam was een stad waar om elf uur 's avonds het licht uitging.

Tegen de leegloop in meldden zich in die dagen toch nieuwe stedelingen: de gastarbeiders. Ze kwamen eerst alleen en op contract, aanvankelijk uit Spanje, Portugal, Joegoslavië en Italië. Later kwamen de Turken en Marokkanen. Bij gebrek aan huisvesting werden ze vaak weggestopt in brandgevaarlijke pensions.

Deed Amsterdam dan niets om de leegloop te stoppen? Begin jaren zeventig was er een serieuze poging, aan de Zuidoostkant van de stad. Maar het concept van de Bijlmermeer sneuvelde al na enkele jaren. De beoogde jonge gezinnen meden de negen verdiepingen hoge flats: een huis met een tuintje was nog steeds het ideaal. De Bijlmermeer werd het toevluchtsoord voor groepen alleenstaanden, veelal starters op de woningmarkt, later aangevuld met de eerste stroom Surinamers, die weinig verwachtten van de verzelfstandiging van hun geboorteland.

In de stad zelf begon rond die tijd een guerrilla op de woningmarkt. Hadden Provo en Kabouter al min of meer ludiek geageerd tegen grootschaligheid, de kraakbeweging nam feitelijk de wapens op: klinkers en verf spatten uiteen op het gezag, dat toen nog vooral in hemelomspannende projecten dacht. De oude wijken werden vergeten, speculanten hadden vrij spel, betaalbare woningen waren er nauwelijks. Kwamen krakers in het buitenland meestal uit de lagere sociale klassen, in Amsterdam waren ze vooral middle-class en redelijk goed opgeleid. En spraken met zuidelijke tongval. 'Nou, dan rotte gij toch op naar de Bijlmèrméér?'

In dat klimaat groeide de voedingsbodem voor een belangrijke cultuuromslag in de stad. Begrippen als zeggenschap, opkomen voor de buurt en kleinschaligheid wonnen terrein. Tegen de centraal gestuurde stadsvernieuwing - anderen spraken van stadsvernieling - ontstond verzet: de identiteit van de buurt kwam centraal te staan. In de Dapper- en de Kinkerbuurt, en tien jaar later in de Pijp, werd weliswaar op grote schaal gesloopt, maar de bewoners wilden blijven en terugkeren in de nieuwbouw. 'Bouwen voor de buurt' was geen loze kreet, maar een scherpe waarschuwing aan het adres van de autoriteiten.

Die ontwikkeling werd nog eens versterkt door de tijdgeest - en dus niet door beleid. De pil werd gemeengoed, jongeren gingen eerder zelfstandig wonen, van een scheiding begon Nederland steeds minder op te kijken. Studeren werd populair. De doorgaans jonge en kleine huishoudens bleken te hechten aan de stad. Daar gebeurde het toch? Sociaal verkeer, cultuur. Amsterdam werd bovendien een stad waar je je carrière kon beginnen: na de ineenstorting van de industrie begon de dienstverlenende sector zich in een rap tempo te ontwikkelen. Die nieuwe aantrekkingskracht weerspiegelt zich nu duidelijk in het percentage alleenstaanden in de stad: meer dan 50 procent. Elders wordt niet eens de 30 procent gehaald. Jong zijn ze ook: van de huidige bewoners is een op de drie tussen de vijftien en de dertig jaar.

De nieuwe stedelingen belandden destijds vooral in de binnenstad, de Jordaan. De kwaliteit van de woning deed er nog niet zo veel toe: na twee jaar hadden ze wel weer wat anders, of ze knapten pas veel later de woning op. Uithuizig waren ze ook, en dat had zijn weerslag op de voorzieningen in de buurt: cafés, theaters, eethuizen, bioscopen. De levendigheid kwam terug.

Maar niet overal. De plannen voor renovatie en nieuwbouw leidden ertoe dat vooral in het oostelijk deel van de stad de verpaupering genadeloos toesloeg. In afwachting van de komst van bouwvakkers werden hele blokken dichtgemetseld en -getimmerd. Maar door die eenzijdige gerichtheid op het oosten werd de aanblik in de westelijke wijken, gebouwd tussen 1920 en 1940, er ook niet vrolijker op. Geld en visie ontbraken voor een degelijke reanimatie van die gordel.

Ze werden het domein van de minder draagkrachtigen met vaak grote gezinnen. In sommige wijken is het percentage allochtonen boven de 45 procent gestegen, vooral Turken en Marokkanen die zich in de jaren tachtig in het kader van gezinshereniging in de wijken vestigden. De gemeente kon weinig beginnen tegen deze concentratie: spreidingspolitiek is verboden. En afgezien van de gezinshereniging hebben allochtonen goede redenen om juist Amsterdam als woonplaats te kiezen: de dienstverlenende bedrijfstak schept ook veel laaggeschoold werk, zoals schoonmaken en koeriersdiensten.

Het ontstaan van wat sommigen bestempelen als probleemwijken ging niet aan de Haagse politiek voorbij. Eindelijk kwam er geld vrij. In 1984 bereikte Amsterdam onder wethouder Jan Schaefer van Volkshuisvesting - 'in gelul kun je niet wonen' - een hoogtepunt in de nieuwbouw: ruim 8400 nieuwe woningen in één jaar, tegenover een schamele achthonderd in de jaren zeventig en begin jaren tachtig. De stadsvernieuwing legde een basis voor een - zij het traag op gang komende - revitalisering van het centrum en de aangrenzende wijken. Amsterdam haakte daarop in. Voortaan werd vanuit het stadhuis de filosofie van de 'compacte stad' uitgedragen.

Dat credo werd versterkt door het streven de vrije sector een belangrijker rol toe te kennen. In de stad, op de oostelijke eilanden en in nieuwbouwwijken als Nieuw Sloten verrezen koopwoningen. Die differentatie moest het ontstaan van de mono-cultuur in de sociale woningbouw doorbreken.

Met wisselend succes. Welgestelden zonder kinderen komen wel, maar zodra er gezinsuitbreiding is, vertrekken velen weer. Uit de statistieken over het vertrekoverschot blijkt dat kinderen tussen twee en vijf nog altijd met hun ouders de stad verlaten.

De verdichting van de stad leidt ertoe dat grote groepen allochtonen - met veelal kinderrijke gezinnen - naar de buitenwijken trekken, waar relatief goedkope en grote woningen vrij komen. Veel oorspronkelijke bewoners van die buurten gaan naar bejaarden- of verzorgingstehuizen, of overlijden. Er worden concentraties allochtonen zichtbaar in Noord en de westelijke tuinsteden.

Deskundigen oordelen dat het niet eens zo slecht is gegaan in de stad. De nieuwe stedeling heeft de oude wijken nieuw leven ingeblazen. Goed, hier en daar heeft de wisseling van de wacht flink pijn gedaan, maar op een periode op de Zeedijk na, zijn er geen no-go-area's ontstaan. De stad wordt nog vaak vergeleken met een smeltkroes van culturen. Maar dat klinkt toch weer te vriendelijk.

De stad is een mozaïek, waar iedere cultuur zijn eigen terrein opeist. Het centrum en de ondergrondse metrostations zijn deels in bezit genomen door daklozen, verslaafden en zwervers, het Rembrandtplein en de Utrechtsestraat zijn van de yup, het Leidseplein van de patjepeeër, de Albert Cuyp- en de Dappermarkt bedienen de allochtoon, de Concertgebouwbuurt, de Watergraafsmeer en de gouden randjes van enkele negentiende eeuwse wijken zijn er bij uitstek voor de tweeverdiener. En elk steentje van het mozaïek schept bijpassende voorzieningen: bioscoop, restaurant, crèche, moskee.

Die slag om de ruimte heeft zich onlangs opnieuw voltrokken rond de Sint Anthoniesluis, de buurt waar in 1975 de dragline met slingerkogel nog zijn verwoestende werk deed. Architect Theo Bosch had het zich vermoedelijk anders voorgesteld, maar om het pleintje bij zijn Pentagon-complex, vlak bij het sluisje, heeft zich zo'n strijd afgespeeld.

De bewoners vonden de stoeten fietsers langs hun wooncomplex al niet prettig, maar spuitende en slapende junks in hun entrees al helemaal niet. Het liefst hadden ze het hele pleintje afgesloten gezien. Zo ver is het niet gekomen. Eerst kwam er blauw licht, om het junks moeilijker te maken hun aderen te vinden voor een shot. Dat had nauwelijks effect. Daarna werden er traliehekken geplaatst voor de entrees. Maar de junks klommen eroverheen. Nu zijn er afgesloten hokken voor de ingangen en betonnen drempels tegen de fietsers. De bewoners triomferen achter hun pastelachtige gevelplaten.

Meer over