Vijf kopjes koffie

Als er geen nabestaanden zijn die de uitvaart regelen, neemt de gemeente het over. Bij het Amsterdamse Bureau Uitvaarten van Gemeentewege leggen ze er eer in dat zo veel mogelijk te doen conform de wens van de overledene....

Nauwelijks over de drempel van de woning van Adrianus van Bommel zegt Ger Fritz van Bureau Uitvaarten van Gemeentewege: 'Ik denk dat we de plank niet mis slaan als we wijlen meneer Van Bommel gaan begraven op het katholieke St. Barbara.'

Zijn blik glijdt over de kerstboom in de woonkamer, over de wanden vol religieuze ansichtkaarten en dia's van het Vaticaan, over het huisaltaar, de Biblia Sacra Vulgata, over het paneel van een elektronisch orgel. 'Eén ding', zegt hij. 'Wij oordelen en veroordelen niet. Ik constateer alleen dat meneer Van Bommel erg bezig was met het rooms-katholieke geloof.'

Het is een vrieskoude dag in Amsterdam. Ger Fritz, gepensioneerd ambtenaar, maar op vrijwillige basis nog steeds beschikbaar voor zijn oude werkgever, is zoals hij dat noemt, op huisbezoek. Dat klinkt misschien vreemd, op huisbezoek bij een overledene - en al helemaal als die overledene er niet is.

Eigenlijk is het ook meer een huiszoeking, wat Fritz deze ochtend doet. Niet dat hij de onderste steen boven moet halen, uit dat voorbije leven van Adrianus van Bommel. Het enige waarnaar hij op zoek is, zijn aanknopingspunten voor een passende uitvaart. Een brief met laatste wensen, een bankafschrift, muziek, wat kleren misschien.

Terwijl een collega foto's maakt die straks bij het schriftelijk proces verbaal worden gevoegd, belt Fritz met het uitvaartcentrum. Of meneer Van Bommel gekleed is. Dat is hij. Het ziekenhuis had een volle tas meegegeven. 'Mooi', zegt Fritz, 'dan hoeven we geen wade te bestellen.'

Hij opent het bankafschrift, constateert dat er voldoende saldo is om de begrafenis te betalen, stopt een paar cd's in een tas. 'Allemaal gregoriaans', zegt Fritz. Straks zal hij aan meneer Degenkamp, de beheerder van begraafplaats St. Barbara, vragen wat ze het beste kunnen draaien tijdens de dienst.

Bevolkingsregister

Elk jaar komt er bij Bureau Uitvaarten van Gemeentewege, onderdeel van de Sociale Dienst in Amsterdam, zo'n vijfhonderd keer een melding binnen van een overledene. Oude mensen zijn het vaak, vereenzaamd. Of junks, illegalen, zwervers, pasgeboren baby's. Soms staat er een berichtje in de krant: zuigeling gevonden in een vuilniszak. Bejaarde man, zes maanden lang dood in huis. Of laatst: jonge Pool, 27 jaar, overleden na een feest met te veel drank en drugs, neergelegd en achtergelaten op straat.

Meneer Van Bommel stond niet in de krant. Meneer Van Bommel was melding nummer 448, op een woensdag in december. Hij kwam binnen op de fax: A. van Bommel, 58 jaar, overleden in het AMC, geen familie bekend, geen testament.

'Dus dan gaat de burgemeester het regelen', zegt Ger Fritz. Daarmee bedoelt hij dat - zoals de Wet op de Lijkbezorging het voorschrijft - de gemeente de uitvaart regelt waarvoor niemand anders opdracht geeft, en als het even kan conform de wens van de overledene.

Stap één n is het traceren van ouders, kinderen, broers en zussen. Dat gaat middels een online verbinding met het bevolkingsregister. Vaak wordt binnen een dag al iemand gevonden, soms duurt het langer. Dan zoeken ze in Nederland, maar ook daarbuiten. Gaan ze 'lekker speuren' via ambassades en consulaten.

Afijn, als de familie wordt gebeld, zegt Fritz, of een van zijn collega's: 'Met Bureau Uitvaarten, ik heb een onplezierige mededeling voor u.' 50 Procent kans dat aan de andere kant van de lijn iemand zegt: ik neem de uitvaart van u over. Dan is er een opdrachtgever, en sluit het bureau het dossier.

50 Procent kans dat ze minder toeschietelijk zijn - tenslotte leefden ze niet voor niets in onmin met de overledene. Die categorie zegt meestal: o, en nu? Of ze willen kwijt wat er is voorgevallen en beweren, volgens Fritz, 'in het vuur van de emoties de raarste dingen'.

Aan hem heb je dan geen goeie. Hij hoeft dat niet te horen. Het enige wat hij wil, is een mooie uitvaart regelen. Nooit zal hij vragen: waarom doet u het zelf niet? Het verbaast hem wel, maar hij heeft het opgegeven te gissen naar redenen. 'Je komt er toch nooit achter', zegt hij.

De broer van meneer Van Bommel zei die woensdag in december geen: o, en nu? Die schrok en was aangedaan - ook al was er jaren geen contact geweest. Het was een lastig gesprek dat Fritz moest voeren, want hij had twee onplezierige mededelingen: dat meneer Van Bommel was overleden, en dat het zijn uitdrukkelijke wens was, begraven te worden zonder aanwezigheid van zijn familie.

Fritz wilde niet oordelen, maar stiekem vond hij toch dat meneer Van Bommel zijn familie daarmee het recht ontnam om het af te ronden. En dus zei hij tegen de broer: 'Het is aan u of u komt. Ik houd u niet tegen en ik nodig u niet uit.'

Toen hij ophing wist hij bijna zeker: de familie, die kwam.

Geen onderscheid

'Hoe vaak hebben we hier niet samen gezeten, meneer Degenkamp?', vraagt Fritz in de aula van St. Barbara. Vijftien jaar werkten ze samen, maar het is nog u en meneer, over en weer.

Met een knipoog, dat dan weer wel.

Fritz: 'Meneer Degenkamp is eigenlijk ook diskjockey.'

'Nou...', zegt Degenkamp.

Fritz: 'Jawel. Net Joost den Draaier.'

Meneer Degenkamp verzorgt de muziek tijdens de dienst - vandaar. Drie stuks, dat is standaard tijdens een uitvaart van gemeentewege. Honderden hebben Fritz en hij er samen meegemaakt. Vaak kwam er familie, vaak ook niet. Dan waren er tijdens de dienst: Fritz of een van zijn collega's, de uitvaartleider, de dragers en een dichter, uitgenodigd door het bureau.

Mooi, dat laatste, zegt Fritz, en typerend voor de manier waarop de gemeente Amsterdam de laatste eer aan zijn inwoners bewijst: zonder aanzien des persoons.

'Hoe begraaf je een boef?', had iemand hem eens gevraagd. Antwoordde hij: het is allemaal leuk, maar wij gaan geen onderscheid maken.

Daarom is er jaren geleden ook nee gezegd op het voorstel van Degenkamp om de graven van de uitvaarten van gemeentewege in één n hoek van de begraafplaats te clusteren. 'Ook op het kerkhof', zegt Fritz, 'zijn we allemaal gelijk.'

Hij loopt langs het engelenhoekje met kindergraven, en wijst: daar, de uitvaart van die baby heb ik gedaan, die werd langs het spoor gevonden door iemand van de hondenuitlaatdienst. En daar, een baby gevonden in een tas van Albert Heijn, door een thuisloze die dacht er eten in aan te treffen. Tijdens de uitvaart heeft Fritz een cd met kinderliedjes laten draaien.

Of hij dan door emoties wordt overmand? 'Nooit. Ik weet toch niet of dat kind goed af is, of slecht? Ik denk alleen: hier laat een vrouw een unieke kans liggen om afscheid te nemen van haar kind.' Wat hij wel merkt, is dat hij op zo'n moment nog strenger de regie voert. Hoewel. Eigenlijk doet hij dat altijd. 'Vertrouwen is goed, controleren is beter', dat is echt een uitspraak van Ger Fritz.

Dus niet om vijf voor elf met de uitvaart van elf uur beginnen omdat er toch niemand wordt verwacht. Altijd een minuut stilte bij het graf. Jaren geleden: ging de cd-speler in de aula stuk. Dat kan hij dan niet hebben. En hij heeft ook eens meegemaakt dat familie al vóór de dienst in de ontvangstruimte ruzie zat te maken. Toen is hij op die mensen afgestapt en heeft hij gezegd: dit is ongepast, ik verwacht u morgen bij mij op het bureau. 'Niet om mijn zin te krijgen, hoor, maar die dame heeft me wel gelijk gegeven.'

Sommige oud-collega's noemen Ger Fritz paps. 'Ik ben niet weg, hè', zegt hij en hij glundert, een beetje. 'Je hebt mensen, die trekken op de dag van hun pensionering de deur achter zich dicht. Ik niet. Ik ben mijn werk lekker aan het afbouwen.' Vanochtend heeft hij nog een zaak besproken. Les van Fritz: je houden aan recht- en regelgeving is één n ding, maar je hebt ook met mensen te maken. En die mensen hebben emoties. Hij gaat er altijd een beetje plechtig bij staan, als hij zoiets zegt. De voeten wat uit elkaar, de rug nog breder dan hij is. Hij zou een politieman kunnen zijn. 'O ja?', zegt Fritz. 'Net als mijn vader.'

'Weet je wat hij zo mooi doet?', had zijn vroegere baas Willem Kerstens al gezegd. 'Dat schepje grond. Op de kist. Dat doet hij zo lief.'

'Willem', was Fritz' antwoord toen, 'dat noemen wij nou begraven.'

'En hij loopt ook zo mooi', hield Willem vol. 'Met heel veel gevoel en tegelijkertijd terughoudendheid. Ik ben zo iemand, die loopt van A naar B. Ger loopt van A naar B, maar is de hele weg met de uitvaart bezig.'

Grafgroen

Vijftien jaar was hij tweede man op het bureau. Vijftien jaar, maal 250 uitvaarten. Hij was er bijna altijd bij, en stond aan de wieg van de 'methode Amsterdam', waar ze in de rest van Nederland bewonderend naar kijken. Sociale diensten van Rotterdam, Haarlem, Groningen, Utrecht - ze zijn allemaal op de koffie geweest.

Wat Bureau Uitvaarten in Amsterdam dan zo bijzonder maakt? 'Je hebt de wet', zegt Fritz, 'en die kun je naar de letter uitvoeren. Je kunt hem ook interpreteren. Dat laatste doen wij.'

Een regel hebben ze, al die jaren al: een uitvaart van gemeentewege mag niet afwijken van een gewone particuliere uitvaart. Fritz: 'Dus we doen het respectvol, met alles erop en eraan. Maar we gaan 'm wel een beetje uitkleden. Dus geen volgauto's. Geen zes dragers, maar vier. Wel een rouwauto. En we huren een aula. Er komen bloemen, met lint, maar zonder tekst. En grafgroen, want veel mensen vinden het akelig als ze de kist in het graf zien zakken. En er is altijd koffie. Vijftig kopjes als er mensen komen, vijf kopjes bij een eenzame uitvaart. Stel dat er toch nog iemand komt. Dan wil ik niet dat ze zeggen: hé, er was geen koffie.'

Ook typisch Amsterdams: de aanwezigheid van een uitvaartdichter tijdens een eenzame uitvaart. Drie jaar geleden zijn ze ermee begonnen. De Amsterdamse dichter F. Starik was op een dag langsgekomen op het bureau, met het voorstel om tijdens die uitvaarten waar niemand kwam, een speciaal voor de overledene geschreven gedicht voor te dragen. 'Omdat ieder mens het waard is om over na te denken', had hij gezegd. En: 'Als iemand aan de hemelpoort klopt, en hij is helemaal alleen, dan helpt het misschien als we hem iets hebben meegegeven.'

Dat vond Ger Fritz een mooie gedachte.

Inmiddels hebben ze tientallen keren samen op de voorste bank in een aula gezeten. Niet altijd deed Starik het gedicht - hij formeerde een Poule des Doods, met dichters als Simon Vinkenoog, Rogi Wieg, Eva Gerlach. Bij toerbeurt nemen ze de honneurs waar. Het boek dat Starik daarover onlangs schreef, De eenzame uitvaart, neemt Ger Fritz mee als hij 'een dienst draait'. Hij verzamelt handtekeningen, van iedereen die in het boek met naam wordt genoemd.

Gedicht

Het is inmiddels een week na de bewuste woensdag in december. Voor de aula van begraafplaats St. Barbara staat een zilvergrijze rouwauto, met daarin de kist van Adrianus van Bommel. Er liggen twee boeketten op. Een van de gemeente, een van de familie. Op het laatste lint staat: 'Rust zacht. Mama.'

'Ze zijn gekomen', zegt Ger Fritz. 'Mooi.'

In de ontvangstkamer zit de familie - vijf man groot. Straks, zegt Fritz, zal hij ze de hand gaan schudden, maar eerst moet hij nog iets regelen. Een collega heeft geluisterd naar de muziek van meneer Van Bommel, maar die bleek zó zwaar - dat wil hij de familie niet aan doen. Of meneer Degenkamp misschien lichte gregoriaanse muziek heeft?

'Gregoriaans, dat is allemaal zwaar', zegt Degenkamp.

In de kamer achter de aula kiezen ze samen drie nieuwe stukken uit. Fritz: 'We gaan het een beetje opbouwen. Eerst twee keer licht klassiek, en dan zo de religie in.' De muziek staat op cassettebandjes uit de tijd dat de vader van Degenkamp nog beheerder van St. Barbara was. Mevrouw Bos, de uitvaartleidster, komt binnen en meldt dat ze na het eerste muziekstuk een gedicht zal voordragen. Dat heeft ze met de familie besproken. 'Zelf geschreven?', vraagt Fritz. Maar dat is niet zo. Het is een gedicht uit de toptien van uitvaartverzekeraar Dela.

Even later heet mevrouw Bos de familie welkom. Moeder zit in een rolstoel, midden in het gangpad. Een zoon en zijn echtgenote in de linkerbank. Een tweede zoon met echtgenote in de rechterbank. Ze kijken naar de kist die wordt geflankeerd door zes brandende kaarsen. Het cassettedeck van meneer Degenkamp speelt Bach. Dan stapt mevrouw Bos naar voren, en leest ze Zomaar een gedicht.

Ze zijn ons maar geleend, de vele mooie dingen

Die lief, vertrouwd en veilig, ons dagelijks omringen

Het is ons maar geleend, gezondheid, welvaart, leven, en wij pakken het aan, als was het ons gegeven

Het is ons maar geleend, alles waarvoor wij sparen, Alles wat wij beminnen, alles wat wij bewaren

Ze zijn ons maar geleend, De vele aardse dingen

Ons onbetwiste eigendom

Zijn de vele herinneringen

Tijdens de laatste strofe zit Ger Fritz op de achterste rij instemmend te knikken. 'Jongen', huilt de moeder van Adrianus van Bommel. 'Jongen.' Het Ave Verum van Mozart wordt gespeeld, daarna nog een requiem - gregoriaans gezongen. Hooguit een kwartiertje duurt de dienst. Niemand spreekt. Hoe neem je afscheid, als je aanwezigheid niet was gewenst?

Dan wordt de kist naar het graf gedragen. Meneer Degenkamp zegt: 'En nu zal ik de baar laten zakken.' Ger Fritz plukt een roos uit het gemeenteboeket, geeft hem aan de moeder, knijpt even in haar arm.

Er wordt geen schepje grond gestrooid. De familie vertrekt naar de koffiekamer. Moeder komt nog een keer terug om haar roos op de kist te gooien. Hij valt ernaast. 'Mag ik er nog een?', vraagt ze. De tweede gaat er ook naast. Pas bij de derde, geworpen door Ger Fritz, gaat het goed.

'En wat zeggen we dan, meneer Degenkamp?', vraagt Fritz als ze samen terug naar de aula lopen.

'Koffie', zegt meneer Degenkamp.

'Kinderen horen hun ouders te begraven. Niet andersom.'

Meer over