Vier vragen

Vijf jaar na de Libiëdeal: minder migranten in Europa, maar tegen welke prijs?

Vijf jaar geleden sloten Italië en Libië een deal over migratie op de Middellandse Zee. Sinds dat akkoord werden tienduizenden mensen naar Libische detentiecentra gebracht, waar zware mishandeling en marteling plaatsvinden.

Rosa van Gool
Lid van de Libische kustwacht bewaakt migranten die worden teruggebracht naar Libië, juni 2017.
 Beeld AFP
Lid van de Libische kustwacht bewaakt migranten die worden teruggebracht naar Libië, juni 2017.Beeld AFP

Wat houdt het Italië-Libië-akkoord in?

Tijdens de vluchtelingencrisis sloten Italië en Libië een akkoord over migratie op de Middellandse Zee. Italië geeft – voor een groot deel met EU-geld – financiële en technische ondersteuning aan de Libische kustwacht. Zo kreeg Libië onder meer boten, training, uniforms en satelliettelefoons.

In ruil daarvoor houdt Libië de bootjes met migranten op zee tegen en brengt het de opvarenden naar de beruchte Libische detentiecentra. Daar zitten duizenden migranten uit voornamelijk Sub Sahara-Afrika vast. Zij zijn na een lange tocht over het continent op hun weg naar Europa gestrand in Libië, waar ze zeer slecht behandeld worden.

Volgens het akkoord hadden ook de omstandigheden in de detentiecentra moeten worden verbeterd met Italiaans en Europees geld. Op de deal was van meet af aan hevige kritiek, met name omdat bekend is dat de mensenrechten in de detentiecentra op grote schaal worden geschonden.

De VN-vluchtelingenorganisatie en ngo’s hebben maar mondjesmaat toegang tot de kampen, dus verbetering leek in 2017 al geen haalbare kaart. Volgens Amnesty International is er vijf jaar later nog steeds sprake van ‘helse omstandigheden’.

Hoe heeft de deal uitgepakt?

Zoals de EU-Turkije-deal sinds 2016 het oostelijke slot op de poort van Fort Europa vormt, zo moest de deal met Libië de zuidelijke toegang tot het continent afsluiten voor vluchtelingen en migranten. Volgens Amnesty zijn de afgelopen vijf jaar 82 duizend mensen naar Libische detentiecentra gebracht.

Uit het in 2015 opgerichte EU-noodfonds voor Afrika is sindsdien ruim 455 miljoen euro naar Libië gegaan, waarvan het grootste deel voor migratiebeleid bestemd was. Toch is van het verbeteren van de detentiecentra, zoals ook in het Italië-Libië-akkoord van 2017 opgenomen, weinig terechtgekomen.

Hulpverleners en migranten getuigen van systematische afpersing, uitbuiting, dwangarbeid, marteling, mishandeling en seksueel geweld. Artsen zonder Grenzen roept Italië en de EU op om geen politieke en financiële steun meer te geven aan het systeem dat mensen naar deze detentiecentra brengt.

De afgelopen jaren zijn bij de terugstuuracties ook duizenden migranten uit het zicht geraakt. De schattingen van hun aantal variëren van enkele duizenden tot twintigduizend, volgens Oxfam Italië. Van deze groep is na hun terugkeer in Libië geen spoor meer te vinden. Vermoedelijk belanden zij in de handen van mensensmokkelaars.

Waar komt het Europese geld eigenlijk terecht?

Omdat de macht in Libië verdeeld is over verschillende milities, is controle op de kustwacht amper mogelijk. Waar het geld precies terechtkomt, is vaak onduidelijk. Medewerkers van de kustwacht onderhouden soms zelf banden met mensensmokkelaars, zo blijkt uit de zaak van commandant Abd al-Rahman Milad.

Milad, beter bekend onder zijn bijnaam ‘Bija’, bezocht Italië in 2017 als vertegenwoordiger van de Libische kustwacht. Een paar jaar later kreeg hij door de VN sancties opgelegd vanwege het opzettelijk laten zinken van boten en de verdenking van betrokkenheid bij een mensensmokkelnetwerk. De Libische autoriteiten lieten hem in april vorig jaar vrij na zes maanden in de gevangenis vanwege gebrek aan bewijs.

Amnesty International constateert in Libië bovendien een klimaat van straffeloosheid. De organisatie wijst op de recente benoeming van Mohamed al-Khoja tot directeur van de migratieafdeling. Al-Khoja was eerder de baas van een detentiecentrum waar structurele mishandeling uitgebreid werd gedocumenteerd.

Wat is de rol van de EU?

Het akkoord mag formeel gesloten zijn tussen Libië en Italië, dat de voornaamste uitvoerder is, maar ook de Europese Unie speelt een belangrijke rol. Niet alleen komt het grootste deel van het geld uit het EU-noodfonds voor Afrika, maar ook via Frontex is de EU betrokken.

Het Europese grensagentschap patrouilleert in de Libische ‘search and rescue zone’ met drones. Die speuren naar boten, waarvan Frontex de coördinaten doorgeeft aan de Libische kustwacht, die de migranten vervolgens ophaalt en terugbrengt naar Libië.

Net als tussen Griekenland en Turkije zijn er ook op de route tussen Italië en Libië getuigenissen over zogeheten pushbacks: het terugduwen van migranten, verboden volgens het internationaal asielrecht. In oktober werd de kapitein van een Italiaans commercieel schip door de rechtbank in Napels veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf voor het terugbrengen van migranten naar Tripoli.

Frontex is daarnaast actief op de Middellandse Zee in operatie Irini, die formeel bedoeld is om het wapenembargo van de VN tegen Libië te handhaven, maar als nevendoel mensensmokkel tegengaat. In dat verband geeft behalve Italië ook Frontex trainingen aan de Libische kustwacht.

Ondanks alle inspanningen blijven er bootjes vanuit Libië komen. Volgens Artsen zonder Grenzen bracht de kustwacht vorig jaar 32 duizend mensen terug, drie keer meer dan in 2020. Ook het voorkomen van dood door verdrinking op de Middellandse Zeeroute is niet gelukt. De afgelopen vijf jaar stierven minimaal achtduizend migranten onderweg. Alleen al vorig jaar waren dat zeker 1.500 mensen, het hoogste aantal sinds 2017, onder wie 43 kinderen.

Meer over