Via Edinburgh de wereld in

De Nederlandse theatermakers The Ashton Brothers zijn de afgelopen jaren doorgebroken. Nu willen ze de wereld veroveren, te beginnen op het Fringe Festival in Edinburgh....

Friso staat varkensworstjes te bakken, Pim heeft een schaal met roerei en bacon gemaakt, Joost zet koffie, Pepijn schenkt sinaasappelsap in. Er zijn verse broodjes en scones, er is kaas, honing en jam, op tafel staan bloemen. Kortom: de Ashton Brothers ontbijten op Engelse wijze.

Friso van Vemde, Pim Muda, Pepijn Gunneweg en Joost Spijkers – vier Hollandse jongens tussen 27 en 32 jaar – logeren deze maand in een riant huis in Edinburgh. Sinds ze in 1998 op de Amsterdamse Kleinkunstacademie besloten samen theater te gaan maken, noemen ze zich de Ashton Brothers. De afgelopen jaren zijn zij met twee opvallende shows (De tragiek van de onderman en Ballyhoo) van kleine zaaltjes doorgebroken naar de grote schouwburgen. Modern variété, onder die noemer wordt de stijl van de Ashton Brothers meestal samengevat. Een hoogst originele mengeling van slapstick, acrobatiek, muziek, dans en mime – de nieuwe Mini & Maxi, maar in een eigentijds jasje. ‘De Ashton Brothers zijn bijna te goed om in Nederland te kunnen blijven’, schreef een criticus.

Dat vinden ze, in alle bescheidenheid, eigenlijk zelf ook. En daarom zijn ze nu in Edinburgh om op te treden op het fameuze Fringe Festival waarvan elke artiest droomt. Om van daaruit de wereld te veroveren, om maar wat te noemen. Twee jaar gelden zijn ze al begonnen met het actieplan ‘Hoe dringen wij door tot de Fringe’. Gunneweg en Spijkers zijn toen letterlijk voor de deur van de directeur van Assembly Rooms gaan liggen, een van de belangrijkste podia in de Fringe. Ze hebben net zo lang gewacht tot hij naar buiten kwam en hem toen aan zijn jasje getrokken. En zowaar: hij had even tijd voor ze.

Gunneweg: ‘Maar daar ging al een lange voorbereiding aan vooraf. Via Neil Wallace, die in Haarlem schouwburgdirecteur is en hier goede contacten heeft, zijn wij in Edinburgh geïntroduceerd. Er zijn opnamen van onze show opgestuurd, we hebben Engelse programmeurs en journalisten uitgenodigd en zijn uiteindelijk zelf naar Edinburgh gegaan om contacten te leggen.’

Daar ervoeren ze dat er nog minstens twaalfduizend artiesten zijn die in Edinburgh willen spelen. Nadat alles uiteindelijk in kannen en kruiken was, dreigde het alsnog mis te gaan. In maart kregen ze te horen dat ze toch niet welkom waren. Een van de Fringe-programmeurs had een video van Ballyhoo gezien en zijn reactie was: ‘I don’t get it.’ Hij zag niet in wat de Ashton Brothers zo bijzonder maakt. Even brak er paniek uit, maar na enige actie en diplomatie is het er toch van gekomen: spelen op het Edinburgh Fringe Festival.

In St George’s West, het theater waar de Ashtons tot eind augustus spelen, is een extra repetitie ingelast. Deze locatie is onderdeel van het Assembly-imperium, dat uit vier theaters bestaat. In dit geval een kerk, behorend tot The Church of Scotland. Op zondagmorgen is hier gewoon een kerkdienst, de rest van de week nemen de artiesten – van Argentijnse tangodansers tot Shakespeare-vertolkers – de macht over.

‘Waar is het achterdoek? Waar is mijn jasje? Waar is de ladder? Wie prepareert de emmer?’ De vragen buitelen over elkaar heen, terwijl de mannen in razend tempo van kleedkamer naar techniek, van podium naar coulissen fladderen. Zegge en schrijve één uur repetitietijd, terwijl ze eigenlijk drie dagen nodig zouden hebben om de première tot in de finesses voor te bereiden. En naar die finesses zijn ze altijd op zoek.

In de samenwerking tussen de meegereisde eigen technicus Willem en de technische staf van het Schotse theater gaat er in de wederzijdse communicatie van alles mis. Met andere woorden: het is een klerezooi. Na afloop moeten de mannen snel inpakken, want de tangodansers staan al te trappelen. Productiemedewerker Joris neemt een kijkje in de kleedkamer en laat de heren vervolgens snel alleen. ‘Dikke paniek’, luidt zijn diagnose.

Het theater van de Ashton Brothers stoelt op het klassieke variété en vaudeville uit de jaren twintig van de vorige eeuw. De grote kracht van het viertal is dat ze uiterst muzikaal zijn, zelf zingen en instrumenten bespelen, fysieke acts uitvoeren die niet ongevaarlijk zijn en ernst combineren met een slapstick-achtige humor. Opmerkelijk voor vier voormalige studenten van de Kleinkunstacademie die, zoals ze het zelf zeggen, werden opgeleid ‘om grappen te maken en liedjes te zingen met een lading’.

Hoe het begon. In hun academietijd maakten ze, als parodie op het repertoire van Frans Bauer, een liedje over erectieproblemen. Daarbij bedachten ze een visuele act waarin vier mannen twee lichamen verbeelden: de één met een fier omhoog staande piemel, de ander neerslachtig. Dat liedje bleek al snel overbodig, de beelden waren overtuigender en origineler.

De inmiddels beroemde penis-act zit ook in het programma dat speciaal voor Edinburgh is samengesteld. Het is een compilatie van nummers uit de twee shows die tot nu toe zijn gemaakt. In de eerste show overheerste een romantische nostalgie naar het aloude variété; het tweede programma is harder en cynischer.

Zoals in veel slapstick, is de ladder een terugkerend element bij de Ashton Brothers. Het is het klassieke instrument waarmee ze, verkleed als malle aardmannetjes, halsbrekende toeren uit halen. Maar het gaat bij hen niet om het gevaar, om de acrobatiek alleen.

Gunneweg: ‘Die mannetjes hebben wel een ladder maar ze durven er eigenlijk niet op. Dat is de diepere laag van onze act.’

Van Vemde: ‘Het publiek moet met die mannetjes mee gaan voelen, zodat ze personages van vlees en bloed worden.’

Spijkers: ‘Ja, dan stijgt het boven een gewone circusact uit.’

De Ashton Brothers hebben zich voor langere tijd aan elkaar gecommitteerd. Aanvankelijk geen geld, geen producent, en eigenlijk ook geen echt programma. Zo veel mogelijk dingen samen maken, uitproberen, spelen, en niet opgeven. Dagenlang gekeken naar opnamen van oude variétéacts: Marx Brothers, Monty Python, Toon Hermans, circusnummers.

Pepijn Gunneweg speelde een rol in de VARA-serie De Band, Pim Muda was te zien in een reclamefilmpje van Tempo Team (die rossige jongen die na twee dagen werken als uitzendkracht uitvoerig wordt bedankt). Dat soort uitstapjes mag, maar de groep gaat boven en voor alles. Niemand is de baas, ze varen wel bij een ingewikkelde democratische structuur.

Muda: ‘Natuurlijk hebben wij conflicten en gedoe, maar die zijn ook nodig. Bij ons gaat alles vier keer door de mangel voordat het een Ashton Brother-act is.’

Van Vemde: ‘Wij hebben eigenlijk met ons vieren een kind, en dat kind is ons theater. Wij zijn een beetje met elkaar getrouwd, wat dat betreft.’

Spijkers: ‘Maar het is wel een liberaal huwelijk. Vreemdgaan mag, maar je moet wel weer thuiskomen.’

In Nederland is het succes inmiddels een feit. Laatst zaten bij een voorstelling in de Kleine Komedie op één avond zowel Youp van ’t Hek als André van Duin in de zaal. Beiden toonden zich na afloop enthousiast, Van ’t Hek bood zelfs een fles champagne aan. Toen de Ashtons vorig jaar op De Parade stonden vroeg Freek de Jonge of hij bij hen een gastoptreden mocht verzorgen.

En nu dan via Edinburgh de wereld in. Een spannend jongensboek, zo voelt het. Want zal het Engelse publiek, gewend aan entertainment op hoog niveau, dit genre wel pikken?

Gunneweg: ‘Hier treden de koningen van de comedy op, en dan komen wij aanzetten met onze ladder.’

Van Vemde: ‘Dit is de hoofdklasse. In Nederland goed zijn is één ding, maar hier opvallen is net even iets anders.’

Spijkers: ‘Wij doen dit niet om beroemd te worden of zo, maar vooral omdat wij onze shows veel langer willen doorspelen dan de anderhalf jaar dat dat in Nederland gewoonlijk kan. En hier komen nu eenmaal veel belangrijke programmeurs.’

Van Vemde: ‘Wij moeten ook zuinig omgaan met het theater dat wij maken, anders is de koek snel op.’

Muda: ‘Wij weten nog niet zo goed waar we als artiesten nu daadwerkelijk staan. Daar proberen wij hier achter te komen.’

Een dag later is het zover: de Ashton Brothers debuteren op het Edinburgh Fringe Festival. Een uur voor aanvang wordt de flessenact gerepeteerd – muziek maken met deels gevulde bierflesjes aan de mond. De zenuwen gieren door de catacomben van het theater. Spijkers probeert de kalmte te bewaren: ‘Ach, we zien dit maar als een eerste try-out. Als het licht en geluid maar kloppen, het juiste ritme van de voostelling komt in de loop van de week wel.’

Zaterdagavond zes uur. Het publiek stiefelt binnen, veelal met plastic boodschappentassen van Marks & Spencer, Habitat en Boots in de hand. De vrees dat het Engelse publiek het fysieke theater en de eigengereide humor van de Ashton Brothers niet zou appreciëren, blijkt ongegrond: al na het openingsnummer volgt een open doekje. Ook de maffia-act, de act met de elektrische schroevendraaier, de Afrika-act en de rode doeken-act van Spijkers (waarbij hij uit de nok van het theater komt rollen terwijl hij een hartverscheurend Bosnisch lied zingt), oogsten bijval en zelfs gejoel. De Engelsen gaan uiteraard helemaal plat voor de penis-act, want er is geen land ter wereld waar poep-pies- en seksgrappen het zo goed doen als hier. Technisch gaat er hier en daar wel iets mis, af en toe vliegt er een zendmicrofoontje los en de overgangen verlopen niet allemaal even soepel, maar toch: de doemscenario’s van de deze week ineens tamelijk onzekere Ashton Brothers kunnen de kast in.

‘Very funny, energetic and extremely talented’, zegt een Engelse dame desgevraagd na afloop. In het publiek bevindt zich ook een Nederlands gezin, de familie Van der Heijden uit Almere, dat zijn vakantie in de Schotse bergen heeft onderbroken voor een paar dagen Edinburgh, mede om de Ashton Brothers te zien.

Vader Van der Heijden: ‘Ik heb tegen mijn zoons gezegd dat ze slapstick konden verwachten à la de Dikke en de Dunne, maar dan in een modern jasje. En dat klopt wel zo’n beetje.’

Zoon Sjoerd (11): ‘Ik vond het erg grappig, vooral met die ladder en die neptanden en al dat bloed.’

Vader: ‘Hier en daar was er wel sprake van het nachtkaarseffect, dan lag het hoogtepunt van een act net voor het einde. Maar timing en power zijn helemaal in orde. Het is een fantastisch groepje.’

In de kleedkamer komt intussen de spanning van de afgelopen dagen los en de frustratie richt zich vooral op de in hun ogen falende Schotse techniek. Er wordt geëist dat er een extra technicus uit Nederland overkomt.

Van Vemde: ‘Wij hanteren een minimumstandaard en als die er niet is, kan het me niet schelen wat het publiek ervan vindt.’

In Au Bar, de pub aan de overkant, komt de stemming er na enige tijd weer in. Bier en burgers, napraten, bellen met het thuisfront. Intussen is er een extra repetitie afgedwongen, ’s ochtends om negen uur. Gehoopt wordt dat de Engelse pers komende week komt kijken, want stukjes in de krant, recensies, aandacht – daar draait het allemaal om. Een producente uit Zimbabwe, met misschien net één gin-tonic te veel op, vliegt de jongens euforisch om de hals en nodigt ze uit om volgend jaar naar het o zo beroemde Zimbabwe Festival te komen.

Spijkers: ‘Afrika ligt al aan onze voeten!’

Muda: ‘En als het hier niet mocht lukken, staan we volgend jaar gewoon weer op De Parade met ons stuntkonijn – ‘Vang het konijn bij zijn staartje, en u krijgt een gratis kaartje’.’

Spijkers: ‘Sterke tekst, hè. Waaruit maar weer eens onze cabaretachtergrond blijkt.’

Meer over