Vette knipoog richting Proust

Er bestaat in de Parijse stripwereld iets dat de École Pigalle genoemd wordt. Dat 'iets' heeft betrekking op de manier van tekenen, herkenbaar aan de elegante penseelstreken, en op de manier van vertellen, die persoonlijk en anekdotisch is....

Een echte school is het overigens niet. Eind jaren tachtig leerden enkele tekenaars die in de buurt woonden van Place Pigalle elkaar kennen en sindsdien bestaat de term. Fakkeldragers zijn Dupuy en Berberian, de geestelijk vaders van de ook in Nederland populaire stripfiguur Meneer Jean. Chaland, de belangrijkste vertegenwoordiger, is al in 1990 bij een auto-ongeluk om het leven gekomen. Maar belangrijker is dat de École school heeft gemaakt. De Canadees Seth heeft de Pigalle-stijl in zijn 'picture novella' It's a Good Life if You Don't Weaken zo mogelijk nog verder verfijnd. In Frankrijk zelf tekent Jean-Philippe Peyraud het ene juweeltje na het andere, waarbij hij zo elegant kan worden dat tuttigheid op de loer ligt.

En Nederland heeft sinds kort zijn eigen Pigalliste: Erik de Graaf. Hij is in 1961 in Vlaardingen geboren en debuteert nu, 42 jaar later, met twee boeken tegelijk, Verbleekte herinneringen en Gekleurd geheugen. Die titels zijn moeilijk mis te verstaan: ze gaan over de eigen jeugd van de tekenaar, met een vette knipoog richting Proust. Bij het spitten in zijn geheugen stuit De Graaf niet op traumatische gebeurtenissen, wel op dierbare herinneringen aan de jongen die hij was. Beide boeken zijn ingedeeld in korte hoofdstukken, die onbeschaamd nostalgisch van toon zijn. 'Spierballen' gaat over een vergeefse zoektocht naar ooievaarskuitenvet, waarmee de kleine Erik net zo sterk als zijn opa hoopt te worden. 'Bout' gaat over een geliefd konijn dat net niet in de pan belandt en 'Aardappeleter' behandelt de rattenvraat. Laatste zin uit het tweede deel: 'Waarom konden mensen en dieren niet altijd gewoon vrienden zijn?'

Opvallender dan de inhoud is de strakke vormgeving van Verbleekte herinneringen en Gekleurd geheugen. De Graaf is zelf grafisch ontwerper en heeft de uitvoering van de boeken in eigen hand gehouden. Elk van de hoofdstukken heeft één basiskleur gekregen, bijvoorbeeld mosterd, roest, azuur of appelgroen, zodat de verhalen overgoten lijken met een historisch sausje. Dat de tekenaar ook vormgever is, valt moeilijk over het hoofd te zien. De lijnvoering is beheerst op het krampachtige af. Eigenlijk is De Graaf op zijn best als hij zich kan beperken tot geometrische vormen: cirkels, vierkanten en krommen. Moet hij zoiets morsigs als een verkeukeld fietsspatbord tekenen, dan blijkt de École Pigalle ontoereikend: te esthetisch.

Meer over