Veteranen van Olofspoort

In vrijwel elke zedenschets van het studentenleven vormt het corps het Leitmotiv. Zelfs als de vertelling er helemaal geen betrekking op heeft....

Zo ook in Voorhoede van een andere tijd - Tijd, Bloei en Teloorgang van Studenten Societeit Olofspoort (Contact; fl 39,50). Auteur Inez van Eijk, zelf oud-lid van de in obscuriteit verzonken studentenvereniging Olofspoort, heeft de obligate gang langs ooggetuigen en archieven gemaakt. De weerslag daarvan ontleent zijn cohesie vooral aan de concurrent: dat groezelige, ietwat suspecte maar o zo spannende corps.

Veel Olofspoorters waren ooit lid van het corps, hebben overwogen er lid van te worden, of zagen daar juist van af om de ouderlijke voorkeur te tarten. De naam van die vereniging valt dus geregeld in dit veel te dikke boek.

Daartussendoor kabbelen de veelal nietszeggende anekdotes van de veteranen. Daarvan komen er zoveel aan het woord, dat allen figurant blijven. Dat geldt ook voor de 'bekende Nederlanders' die ooit zijn gezwicht voor de verlokkingen die van Olofspoort moeten zijn uitgegaan, zoals Aad Nuis, Gerrit Komrij, John Jansen van Galen, Midas Dekkers, Herman Vuijsje, Guus Luijters, Koen Koch, Jan Donkers en Hummie van de Tonnekreek. Ze worden opgevoerd met de kennelijke bedoeling het boek cachet te geven, maar voegen er inhoudelijk betrekkelijk weinig aan toe.

We kunnen wederom lezen dat studenten in de jaren vijftig hun klassieken kenden, naar Kathleen Ferrier luisterden en van wijn hielden. Ze waren sober gehuisvest, zagen de ratten voor muizen aan, mochten van hun hospita na negenen geen gebruik meer maken van de WC, maar droegen deze ontberingen met grote blijmoedigheid. In de jaren zestig verlegde hun muzikale voorkeur zich via jazz naar de Rolling Stones, ontdekten zij de vrije liefde, en opponeerden zij op ludieke wijze tegen de partnerkeuze van de kroonprinses. Olofspoort onderscheidt zich, kortom, in niets van de meeste andere studentenverenigingen. Op één ding na: de vereniging haalde haar derde lustrum niet. In 1970 zag een wijs bestuur het feit onder ogen dat Olofspoort - een uitgewoonde sociëteit en een slinkend ledenbestand - klinisch dood was.

Ook nu, ruim dertig jaar later, lijkt niemand daar om te malen. Getuige de fletse verhalen uit de oude doos. Een paar elementen geven de lezer moed. Zoals het gedicht dat Aad Nuis in 1953 in het verenigingsperiodiek Kaas & Brood publiceerde; 'Ik dacht: hij kust vast nat. Hij dacht: ik lust wel wat. Hij zei: kom rust wat, schat. Ik zei: nee Jan, niet dat!'

Of het verhaal dat Inez van Eijk heeft ontleend aan de memoires van Ed van Thijn. Hierin beschrijft de auteur de verbazing die hem ten deel viel toen hij, conform een gedateerd gebruik, in ja cquet op het kandidaatsexamen verscheen. 'De drie professoren achter de tafel (Barents, Kleerekoper en Presser) keken me met grote ogen aan toen ik in vol ornaat de senaatskamer van de Oudemanhuispoort binnenkwam. De pijnlijke stilte werd door Kleerekoper doorbroken. ''Ach'', zei hij, me minzaam aankijkend. ''Meneer dacht dat het al feest was''.'

Heel amusant. Maar Van Thijn was dan ook corpslid.

Meer over