Vespers van Alain Platel hebben niets eigens

VSPRS door Les Ballets C. de la B. Choreografie en regie: Alain Platel. Muzikale leiding : Fabrizio Cassol. 4 Mei, Théâtre National, Brussel. Op 6 en 7 juni in Het Muziektheater, Amsterdam ( Holland Festival ).

Door Annette Embrechts

Je gaat er bij voorbaat van gloeien: het idee dat Alain Platel zich stort op de beroemde 17de-eeuwse Vespers van Claudio Monteverdi. In eerdere voorstellingen als Iets op Bach (1998) en Wolf (2004) flirtte de theatermaker ongelooflijk spannend en ondeugend met het sublieme karakter van composities van Bach en Mozart. Het kan niet anders, denk je, of Platel zal met zijn eclectisch tableau van dansers en musici wederom een wonderlijk verbond smeden tussen het religieuze en het alledaagse, het verhevene en het vanzelfsprekende.

Dat de Vespers vooral in kloosters werden gezongen, zien we aan het openingsbeeld: tegen een maagdelijk wit landschap van uit stroken stof opgetrokken berghellingen plukt een jongen aan een brood. Naast hem wacht een fles water. Achter hem begint Cristina Zavalloni te midden van een eigentijds barokorkestje de reeks gezongen gebeden, haar armen wijd krommend boven haar hemelsblauwe rok. Maar de zuiverheid die dit begin van VSPRS suggereert, wordt al rap vertroebeld.

Tien dansers druppelen vanuit vier windrichtingen het toneel op. Hun ledematen schieten in stuipen, een beeld dat ontleend is aan de medische filmpjes van hysterische patiënten, die de Belgische prof. Arthur Van Gehuchten begin vorige eeuw maakte voor neurologisch onderzoek.

Een keurige jongen met stropdas kleedt zich schokkend aan en uit. Het elastieken lijf van een lenige jongen met gekortwiekte hanenkam trekt onnavolgbaar krom. Een magere dame met wild haar headbangt synchroon met haar collega, maar de grilligheid ontsnapt aan haar beteugeling. Een Spaanse furie stapt trots rond op hakken, onderwijl superhelden aanroepend als Batman, James Bond en Wonder Woman.

Als ze hun wispelturigheid niet meer in een solo of duet etaleren, vliegen ze tegen de stoffen helling op. Ook die biedt weinig houvast. De dwarse motoriek oogt alleen vreemd, niet authentiek of eigen, in tegenstelling tot eerdere choreografieën waarin Platel de diversiteit van zijn dansend pluimage wist te orchestreren tot een amalgaam van originaliteit. Met Monteverdi's barokcompositie hebben deze schizofrene en naar binnen gekeerde bewegingen niets van doen. Een trance blijft uit.

De zo beloftevolle voorstelling, die donderdag de opening vormde van het prestigieuze KunstenFestivalDesArts in Brussel en begin juni een hoogtepunt had moeten zijn van het Holland Festival 2006, loopt spaak op de dans maar ook op de muziek. Sopraan Zavalloni blaast haar borstkast boven haar wespentaille voortdurend op met pompende armen. Haar zang neemt die ruimte niet in. Van Monteverdi's psalmen en hymnes maakt zij echo's van toonherhalingen. Saxofonist en muzikaal leider Fabrizio Cassol misbruikt de vrijheid die Monteverdi de uitvoerders gunde om naar believen versieringen aan te brengen, om de Vespero della Beata Vergine te verdunnen tot een derderangs beatmisje, gedoopt in een gipsy badje. Zijn ensemble, samengesteld uit twee zigeunermuzikanten (viool en contrabas), het improvisatietrio Aka Moon (drum, sax en basgitaar) en het barok-ensemble Oltremontano (trombone en cornetto) is frivool als het Willem Breuker Kollektief in voorbije tijden. De roffeltjes op stoelen, grond en benen, de baslijntjes op gitaar en bouzouki en de viool- en saxsolo's versmallen Monteverdi's muziek tot een gelegenheidsoptreden van braaf koperwerk en percussie.

Achter het decor doemen twee hijskranen op. Gonst het daar van bedrijvigheid? Vóór de berg gonst niets. Na anderhalf uur gloeien de wangen nog wel, maar dan van ergernis en teleurstelling.

Meer over