Verzwegen muziek

Voor het eerst heb ik een dirigent de stilte zien dirigeren...

Kees Fens

Het gebeurde zaterdagavond in het Amsterdamse Concertgebouw. De dirigent was Reinbert de Leeuw. Hij stond daar haast breekbaar smal, lichtgebogen, het witte hoofd nog iets meer naar voren. Het orkest zweeg, het werd stil, het werd warmer in de zaal, langzaam bewogen de armen van de dirigent. Er werd afgeteld en de rug van de dirigent telde mee in een heel lichte beweging.

De partituur werd niet omgeslagen. De stilte ging over in het heel zachte geluid van een enkel instrument. Alsof die stilte kierde. Een ander instrument nam de bijna stilte over. Na enige tijd was het weer helemaal stil; alleen de dirigent bewoog. Zo ging het lange tijd door met een muziek die voortdurend de vinger op de mond legde en om stilte vroeg.

Gespeeld werd Litanei van de Russische componist Alexander Knaifel; het stuk was geïnspireerd door het gedicht Winterbeg inn van de Russische avant-garde dichter Nicolaj Zabolockij (1903-1958), een heel mooi gedicht met regels als: Die Welt erstirbt in Kälte ohne Ende,/Der Winter senkt ins Wasser seine Hände.

Maar wat ik las, heb ik niet gehoord. Het stuk zet zeer luid in, het hele orkest speelt mee. Maar al gauw keert de muziek in zichzelf in een lang volgehouden meditatie, die door enkele instrumenten wordt beoefend, in een bijna beschaamd zijn om eigen zachte klanken. Hun vervulling vonden ze in de stilte.

Muziek als uitgespaarde stilte of volledige afwezigheid van geluid, ik heb dat zaterdagavond gehoord. Diep ontroerd, hoewel het geheel niet zonder komische effecten is: daar zit een volledig orkest tot heel veel in staat. Maar er klinkt slechts een cello, even de aangehouden donkere toon van een bas, een klokje en weer even een enkel ander instrument. Wat weggelaten werd, was zichtbaar! Tegen het einde mocht het orkest weer; de muziek van het begin werd in variatie herhaald; de grote muziek sloot de stilte binnen een cirkel in. Een gedicht dat op eerste en laatste regel na, geheel bestaat uit enkele woorden en verder alleen witregels.

Er werd heel hard geapplaudisseerd, weerwerk op de stilte, die al via de dirigententrap het gebouw had verlaten. Naar de eeuwigheid. De componist kwam op het podium; hij had in de zaal zitten luisteren, een opgewekte man die zijn Russische ziel even op zijn stoel had achtergelaten. Wij kennen nu die ziel. Ik buig ervoor.

De pauze had iets wreeds, zoals meestal. Redeloos geluid. Erna werd Litany van de heel grote Arvo Pärt uitgevoerd. De tekst is een doorgaande aanroeping van de Heer, vanuit de diepten en de benauwdheid, een soort De profundis. Er is muziek die meteen iedere vraag, iedere bijgedachte verbant. Ze neemt onmiddellijk volledig bezit van je. Of jij gaat meteen een wereld binnen waaruit de laatste noot je pas loslaat.

Ik kende alleen Pärts Miserere, een zeer indrukwekend werk, geschreven door een middeleeuwer met een vooruitziende blik van eeuwen. Litany is nog indrukwekkender; de middeleeuwer heeft zich nog meer ontplooid naar een verre tijd toe. Instrumenten en stemmen vulden de hele zaal. Men moet luid zijn, wil men door God gehoord worden. Hijzelf laat zich alleen horen in de stilte (in de meditatie van de Litanei van Knaifel).

We kwamen vrij uit deze wereld; de werkelijkheid herstelde zich om ons heen. Ik hoopte dat God de muziek gehoord heeft. Ik hoopte ook dat nu Pärt op het podium zou verschijnen. Ik verwachtte een Dostojewski-achtige gestalte. Hij was er niet. Hij moet in dat verre Estland zijn gebleven, waar de stilte zal beven van zijn muziek, de grootste religieuze muziek van de vorige eeuw.

Ik ben misschien zelden zo gelukkig geweest dat ik muziek niet alleen gehoord, maar ook gezien heb als zaterdagavond. Want dat zien dirigeren van de stilte zal ik nooit vergeten. Zulke stilte zal ik, denk ik, nooit meer vinden, laat staan horen.

Meer over