Verzamelaars halen schouders op over beurscrisis

Terwijl de beurzen hard onderuit gaan, regent het op de kunstmarkt records. Door de goedkope dollar is New York een koopjesmarkt voor kunst....

AMSTERDAM Terwijl de internationale banken miljarden dollars moeten afschrijven, de Amerikaanse economie in een recessie schiet, en de aandelenkoersen in Europa en de Verenigde Staten procenten per dag dalen, blijft het op de internationale kunstmarkt records regenen.

Bij Sotheby’s in Londen werd dinsdagavond voor een recordbedrag van 116 miljoen pond aan impressionistische en moderne kunst verkocht. Zelfs een subtopper als de expressionist Franz Marc bij Sotheby’s in Londen bracht 12 miljoen pond op. In november ging het er in New York nog ruiger aan toe: een werk van de moderne kunstenaar Francis Bacon verwisselde voor 45 miljoen dollar van eigenaar bij Sotheby’s.

Ook de markt voor hedendaagse kunst blijft witheet: bij de hipste galeries in New York, nog altijd het centrum van de internationale kunstmarkt, worden de wachtlijsten alleen maar langer. Voor de kunstbeurs van Miami rukte de internationale collectorskliek in december onverminderd gretig uit.

Wat is er met de kunstmarkt aan de hand? Wordt de financiële pers er soms niet gelezen?

Op het eerste gezicht zou je verwachten dat ook de kunstwerken slachtoffer worden van de huidige financiële crisis. De belangrijkste nieuwe kunstkopers van de afgelopen jaren waren immers hedgefondsmanagers zoals Stephen Cohen en Kenneth Griffin, oprichter van het hedgefonds Citadel uit Chicago. Beiden gaven de afgelopen jaren vele honderden miljoenen dollars uit aan kunst.

Commentatoren verklaarden de prijsstijgingen op de kunstmarkt van de afgelopen jaren dan ook in financiële termen: er klotste zoveel geld op de wereld rond, dat werkelijk alles van waarde – aandelen, huizen, grondstoffen, en ook kunst – door beleggers werd gevroten. Meer dan ooit zou kunst met andere woorden een ‘financieel instrument’ zijn geworden. Nu de huizenprijzen in de Verenigde Staten en de aandelenprijzen wereldwijd in elkaar klappen, lijkt kunst in de verkoopgolf mee te moeten.

Nee dus. Dat de kunstmarkt zich aan de macht van de financiële wereld onttrekt is niet nieuw: in de jaren tachtig haalden verzamelaars ook al de schouders op over een beurs. Op 19 oktober 1987, onder beleggers beter bekend als Zwarte Maandag, beleefde Wall Street de grootste koersdaling uit zijn geschiedenis. Drie weken later werden de Irissen van Van Gogh geveild voor 53,9 miljoen dollar – op dat moment het duurste kunstwerk aller tijden.

Drie jaar later, toen de beurscrash al lang weer vergeten was, ging de kunstmarkt alsnog onderuit. Voor veilingen en galeriehouders braken magere tijden aan die in ieder geval tot het midden van de jaren negentig aanhielden. De beurscrash van 1987 was toen allang weer vergeten.

Ook uit systematisch onderzoek van economen blijkt de afgelopen 125 jaar nauwelijks verband te bestaan tussen aandelenprijzen en kunstprijzen. Tussen obligaties en kunst bestaat zelfs een negatief verband: als obligaties hun waarde verliezen, doet kunst het relatief goed.

Wat de kunstmarkt nu overeind houdt: met de goedkope dollar zijn de veilingen en galeries van New York een koopjesmarkt geworden voor Europese verzamelaars. Ook staat er, in de opkomende economieën van Azië en het Midden-Oosten, een nieuwe klasse verzamelaars op. En ten slotte is het geld dat de hedgefondsmanagers de afgelopen jaren verdienden, allerminst verdampt. Er komt hoogstens weinig meer bij.

Maar dat betekent niet dat er geen vuiltje aan de lucht is op de kunstmarkt. Want bij de recente prijsstijgingen valt de internetzeepbel op de aandelenmarkt van eind jaren negentig in het niet. Het is wachten tot de eerste verzamelaars opstaan die meer dan honderdduizend dollar voor het werk van een kunstenaar die nog maar net van de academie af is, onhoudbaar vinden. De kunstmarkt stevent dus op een crash af, maar de financiële wereld kan daarvan niet de schuld gegeven worden.Olav Velthuis

Meer over