Verwoesting zichtbaar in Neue Museum

Van de vijf monumentale gebouwen op het Berlijnse Museumsinsel – een sieraad op de Werelderfgoedlijst van Unesco – is het Neue Museum tijdens de Tweede Wereldoorlog het meest beschadigd.

Tot de jaren negentig bood de schepping van architect Friedrich August Stüler (1800­1865) ‘een Pompeïsche aanblik’. Tussen zwartgeblakerde zuilen groeiden berkenbomen. De restanten van de inventaris verkommerden in wind en regen.

Als de DDR twintig jaar geleden niet aan haar geleide economie was bezweken, zou het museum weer in oude luister zijn hersteld – inclusief de martiale fresco’s van Wilhelm von Kaulbach in het trappenhuis. En de meeste Berlijners zouden de krasvrije reproductie van het serene verleden vermoedelijk hebben toegejuicht. De opdracht voor de wederopbouw van het Neue Museum – dat een grote collectie oud-Egyptische kunst zal huisvesten – werd echter verstrekt aan de Britse architect David Chipperfield (55).

Diens opvattingen over de restauratie waren meteen al omstreden. Enerzijds respecteerde hij het meesterschap van Stüler en liet hij diens indeling van het gebouw intact. Anderzijds wilde hij ook laten zien dat het pand zestig jaar een ruïne is geweest. ‘De ontbrekende delen waren eenvoudigweg te omvangrijk om ze simpelweg te vervangen’, zegt hij tijdens een rondleiding door het gebouw dat volgende week zal worden opgeleverd. ‘We wilden geen nieuw huis in het oude huis bouwen, maar een landkaart van de verwoesting laten zien – zonder de indruk te wekken dat het gebouw kapot of onvoltooid is.’

In het monumentale trappenhuis – dat de volle diepte van het museum beslaat – is het best te zien wat Chipperfield heeft beoogd. De schaarse authentieke elementen zijn gerestaureerd. De ontbrekende delen zijn op een zodanige manier vervangen, dat de bezoeker niet in de waan wordt gebracht dat ze oud zijn. De oervorm van de trappen komt overeen met die in het ontwerp van Stüler. Het materiaal – beton – en de uitvoering – strak maar niet onelegant – dragen echter Chipperfields signatuur. ‘Aanvullend restaureren’, noemt hij dat.

In vertrekken die tijdens de oorlog relatief geringe schade hebben opgelopen – zoals de prachtige Niobidenzaal waarvan het plafond door gietijzeren ornamenten wordt gesteund – overheerst het oude, zij het dat de gerestaureerde delen van de wand- en plafondschilderingen een fractie lichter van kleur zijn dan de originele fragmenten. In zalen die volledig moesten worden herbouwd, ontbreken de verwijzingen naar het verleden goeddeels. Elders heeft Chipperfield een schitterend samenspel geconstrueerd tussen residuen van Stülers schepping en zijn eigen vondsten. ‘Het was moeilijk om in een gebouw met zoveel gradaties van verwoesting aan één lijn vast te houden. Elke plek vroeg om een andere oplossing.’

Chipperfield denkt dat hij nu niet meer de ruimte zou krijgen die hij gedurende de renovatie van het Neue Museum heeft genoten. ‘De atmosfeer is veranderd’, zegt hij. Daarvan getuigt de, in zijn ogen ‘onbegrijpelijke’, beslissing om een paar honderd meter verderop het in 1950 opgeblazen Stadsslot van de Hohenzollerns te reconstrueren. ‘Het resultaat is per definitie nep’, zegt hij.

De liefhebbers van de façade-architectuur op hun beurt hebben weinig op met Chipperfields ‘ruïne-esthetiek’. Dat zullen ze ook indringend laten weten, verwacht de architect. ‘Dat vind ik een van de attracties van dit land.’ Nergens anders wordt met zoveel betrokkenheid over architectuur gesproken.’

Het Neue Museum in Berlijn Beeld
Het Neue Museum in Berlijn
Meer over