Vervuld van zelfmedelijden

Hoe een op wellust gericht lichaam en een op cultuur gerichte geest te verenigen? Het is een oud en onverwoestbaar thema, dat de voormalige Volkskrant-redacteur Willem Kuipers (1940) koos voor zijn debuutroman De werkplaats....

De werkplaats opent met een korte proloog waarin hoofdpersoon Wytze Benner verslag doet van zijn verblijf op een intensive care-afdeling. Nog geen zestig jaar oud heeft hij zijn eerste hartinfarct gehad, en als hij ligt bij te komen, dient het conflict zich al aan. Er komt een verpleegster voorbij: 'Door haar sneeuwwitte kleding heen zag hij haar mollige kont en het veel te kleine slipje.' En dat terwijl de pati liever herinneringen ophaalt aan zijn bezoek aan de Argentijnse schrijver Borges, die hij had 'weten te vermaken' met zijn kennis van het Gotisch en het oud-Hoogduits.

Na deze weinig aan de verbeelding overlatende samenvatting van wat de lezer te wachten staat, duikt Kuipers in het verleden. Hij laat de kleine Wytze geboren worden in het jaar dat de Tweede Wereldoorlog begint. Zijn moeder is Duitse, zijn vader komt uit Drenthe. Ze hebben elkaar in de jaren dertig in Duitsland leren kennen, maar al snel zijn ze naar Utrecht verhuisd. Hier leidt Jacob Benner, door het hele boek heen 'de baas' genoemd, een carrosseriefabriek, 'de werkplaats'.

De oorlogsjaren worden door de kleine en stille Wytze met angst en verbazing waargenomen. De buren die lid zijn van de NSB, de Duitse soldaten die het huis binnen komen stormen nadat zijn zusjes uit het raam 'Vuile rotmoffen' hebben geschreeuwd, de urenlange tocht per bakfiets naar een boerderij waar nog wat eten te halen valt.

Het zijn bekende oorlogsverhalen, wat geen probleem hoeft te zijn, maar Kuipers weet ze niet echt bijzonder te maken. Keer op keer krijg je het gevoel dat de schrijver vergeten is zich af te vragen of het verhaal van Wytze wel de moeite van het vertellen waard is.

De verhalen die wel weten te boeien, komen tevoorschijn op het moment dat Kuipers zijn aandacht even niet op Wytze richt, maar, bijvoorbeeld, op het Duitse neefje Oscar, dat na de oorlog iedereen de stuipen op het lijf blijft jagen met zijn nachtelijk gegil. Over deze Oscar had Kuipers wel wat meer mogen vertellen, net als over diens vader 'onkel Willy', die als Duits soldaat deel uitmaakte van een executiepeloton en nu met Wytze op eendenjacht gaat.

De tweede helft van De werkplaats speelt zich af in de jaren vijftig en zestig, en hier ontvouwt het conflict tussen lichaam en geest zich ten volle. Wytze ontdekt zijn seksualiteit, dankzij een initiatiefrijke vriend en een bereidwillig zusje. Het levert licht gnte passages op, vooral doordat Wytze zich nergens rekenschap geeft van zijn eigen aandeel. Naar zijn idee ligt de bron van zijn verwarring bij de ander.

Dat het Wytze volledig ontbreekt aan relativering, om van zelfspot nog maar te zwijgen, maakt hem tot een weinig sympathiek romanpersonage. Voortdurend is hij op zoek naar erkenning, en hij laat geen kans onbenut om zich te bewijzen. Ook dit hoeft geen probleem te zijn, maar Kuipers had er goed aan gedaan een verteller te cren die de hoofdpersoon zo nu en dan eens flink de waarheid zou zeggen. Nu gaat Wytze veel te veel vrijuit. Zoals in de talrijke scs waarin Wytze zijn mening over prostituees verkondigt. Ze getuigen van een schrikbarend ouderwets vrouwbeeld, waarbij de vrouw de schuld krijgt van de zondeval van de man: '. . .nadat een hoer, te vies om aan te pakken, zijn laatste restje geloof in de mensheid in haar lauwe kut had geblust'.

Minstens zo stuitend is Wytzes neiging om de mensen die het goed met hem voorhebben in te ruilen voor beroemde kunstenaars die hem tot een Schist kunnen maken. Of voor slachtoffers die meer hebben geleden dan hij. Wytze wil en zal erbij horen.

De kern van dit hele conflict ligt - hoe kan het ook anders - in Wytzes on evenwichtige relatie met 'de baas'. Nooit kan hij tippen aan deze 'afvallige calvinist' met het 'snijdende stemgeluid en zijn eeltige knuisten', die voor niemand bang was, die niets van cultuur wist en voor wie zijn vrouw een 'heilige' was.

Wytzes drang naar erkenning, van zowel vrouwen als kunstenaars, is in feite grote schreeuw om erkenning die hij van zijn te vroeg gestorven vader had willen krijgen. Niets mis mee, Wytze is immers ook maar een mens. Maar voor een roman als De werkplaats is het funest dat de hoofdpersoon weinig meer te bieden heeft dan een grenzeloos zelfmedelijden, dat zijn schepper hem nergens een schop onder zijn arrogante kont verkoopt.

Meer over