Vertrouw op Hiatt

Te gelukkig voor goede muziek? Niet good old John Hiatt.

Een dag geen gitaar gespeeld is een dag niet geleefd voor John Hiatt. Niet dat het altijd wat oplevert, maar gewoon even zijn instrument beetpakken, een paar akkoorden spelen en kijken of er iets uitkomt, doet hij toch het liefst dagelijks. 'Als ik twee dagen niet speel, is er iets raars met me aan de hand', zegt de bijna 59-jarige singer-songwriter in een Amsterdams hotel waar hij zijn nieuwe, twintigste album komt toelichten.

Het is nog maar net een jaar geleden dat plaat nummer 19 verscheen. The Open Road, een mooi verzorgde liedjesplaat, wist de weg naar zijn fans te vinden, maar was geen plaat die echt het onderscheid maakte. Dat doet zijn nieuwe plaat wel. Dirty Jeans And Mudslide Hymns behoort tot Hiatts betere werk.

Hiatt: 'Het ging vlot dit keer. De ene keer vloeien de liedjes wat sneller dan de andere keer, dat is een kwestie van geluk. Schrijven gaat heel anders dan vroeger, toen ik als 19-jarige jongen naar Nashville trok om daar als broodschrijver iedere dag van negen tot vijf liedjes te componeren. Het voelt nu niet meer als een baan voor me. Het is gewoon iets wat ik doe en waar ik aardigheid in heb. Eerst een paar akkoorden doen, dan een melodie proberen en soms is het hebbes, dan murmel ik een paar onzinwoorden en ga ik een tekst schrijven. Heel ambachtelijk, ja. De teksten hebben gaandeweg steeds minder met mijn eigen leven te maken. Liever bedenk ik voor ieder liedje een fictief karakter.'

Hiatts liedjes hebben hem een, zeker in Nederland, nog altijd trouwe aanhang bezorgd, maar al die ambachtelijkheid neigde in de jaren negentig steeds meer naar onverschilligheid. Dan hoorde je John Hiatt nog altijd met zijn krachtige, soms snerpend soulvolle stem zingen, maar miste je de echte overtuiging die hij op platen als Riding With The King (1983) en Bring The Family (1987) in zijn liedjes wist te leggen.

'Die platen gingen, zoals veel van mijn werk tot 1987, ook echt over mij. Ik had het toen zwaar met mezelf. Was zwaar aan de drank, gebruikte veel te veel cocaïne en maakte van mijn huwelijk een puinhoop. Toen dat allemaal veranderde, ik afkickte en een nieuw leven bij een nieuwe vrouw vond, schreef ik daar nog even volop over, maar daarna... Over hervonden geluk en een rustig familieleven kun je niet blijven schrijven. Dat wordt saai.'

Hiatt vindt overigens niet dat veel persoonlijke ellende tot de mooiste liedjes leidt. 'Hooguit is het zo dat ik in die barre jaren over niks anders nadacht dan over mijn eigen sores. Nu ik al jaren een evenwichtig leven heb, blijkt de uitdaging juist te zitten in het bedenken van verhaaltjes, anekdotes of karakters die meer fictief zijn, en niet situaties beschrijven uit mijn eigen leven.'

Wat de liedjes op zijn nieuwe plaat bijzonder maakt, is dat ze weer wat dichter bij Hiatt zelf lijken te staan dan op zijn recente platen, en dat ze wat meer uitgesproken klinken. Meteen in het eerste liedje wordt de luisteraar al bij de lurven gepakt: krakende rockgitaar, en Hiatt die zingt: 'They killed my brother in a poker game, damn this town I'm leaving.'

'In het liedje wordt de suggestie gewekt dat de man allerlei verschrikkelijks op zijn geweten heeft, maar niemand weet wat. Typisch zo'n man die je veel tegenkomt in het Midwesten, waar ik vandaan kom. Verknipte types waarvan je niet wist wat ze eigenlijk uitspookten. Zo'n karakter heb ik willen neerzetten.'

Dat John Hiatt zelf op zeer jonge leeftijd zijn oudste broer verloor door zelfmoord, is toeval zegt hij, de suggestie wegwuivend dat er iets van hemzelf in het karakter uit het liedje zit. 'Aan de andere kant, alcoholisme en drugsverslaving maakten van mij natuurlijk ook een verknipt persoon.'

Wat Hiatt op zijn nieuwe plaat doet, is zo'n liedje over iemand die door iedereen wordt verafschuwd te laten volgen door een liefdesliedje, Til I Get My Loving Back. 'Ik wil twee kanten van dezelfde medaille laten zien. Hoe ziek of vreemd iemand zich ook kan gedragen, hij is ook maar een mens, op zoek naar liefde en geborgenheid.'

Precies dat vond Hiatt zelf zo'n vijfentwintig jaar geleden ook. Al ging er een groot persoonlijk drama aan vooraf. Zijn tweede vrouw Isabella pleegde zelfmoord, John achterlatend met hun pasgeboren dochter Lily. In eerdere interviews heeft Hiatt bevestigd dat dit, hoe dramatisch ook, toch een deel van zijn redding is geweest. De verantwoordelijkheid over zijn dochtertje weerhield hem van een terugval, bovendien ontmoette hij tijdens AA-meetings zijn huidige echtgenote. Dit jaar vieren ze hun zilveren bruiloft.

'Mijn leven is in te delen in een periodes vóór mijn huidige huwelijk, en een daarna. Ik praat niet graag over vroeger, al word ik er in Amsterdam wel veel aan herinnerd. Ik kwam hier in mijn beginjaren veel. In Paradiso, in 1979, merkte ik voor het eerst dat mijn liedjes echt aansloegen. Ik was hier een jaar later ook met Ry Cooder op tournee, en herinner me vooral dat mijn gage aan alcohol en cocaïne opging. Nee, geen jofele tijd. Maar Nederland is altijd aardig voor me geweest. Hier werd, geloof ik, Have A Little Faith In Me ook de grootste hit.'

Deze sobere, hartverscheurende ballad was het prijsnummer van Bring The Family, de plaat die Hiatt in 1987 mocht maken. 'Mocht ja, want ik was door een Brits label gevraagd om zelf de muzikanten uit te kiezen met wie ik mijn ideale plaat kon maken. Het aanbod kwam precies op het juiste moment. Ik was net getrouwd, wilde stoppen met spelen en weer nummers voor andere artiesten gaan schrijven. Ik was niet tevreden over mijn laatste platen en wilde een gewoon familieleven.'

Daar kwam na het verzoek van platenlabel Demon niks meer van. Hiatt ging vier dagen met Ry Cooder, Nick Lowe en Jim Keltner de studio in, en kwam er uit met zijn nog altijd beste plaat. Hiatt had het persoonlijke leed en het huiselijk geluk dat erop volgde, verwerkt tot liefdesliedjes waarin hij zich volledig blootgaf.

'Daar is echt een nieuwe fase in mijn leven begonnen, en die duurt nu al vijfentwintig jaar', zegt Hiatt lachend. 'Misschien dat ik daarom toch weer wat meer ben gaan terugdenken aan vroeger. In ieder geval staat er een oud liedje van me op de nieuwe plaat, Train To Birmingham, ooit opgenomen door Kevin Welch. Mijn vrouw vraagt al jaren of ik het zelf wil zingen, nu doe ik het als jubileumgeschenk voor ons huwelijk.'

Een ander oud liedje op Dirty Jeans And Mudslide Hymns is When New York Had Her Heart Broke. Hiatt schreef het vlak na 9/11, maar bracht het nooit uit. 'Ik was op die dag in New York om op te treden. Een dag later reed ik de stad uit, en zag om me heen nog allemaal huilende mensen bellen en praten. Die beelden draag ik nog altijd mee. Andere mensen hebben er al prachtig over gezongen, ik was bang dat mijn liedje als opportunistisch zou worden gezien.

'Maar producer Kevin Shirley, die de ramp ook had meegemaakt, stond erop dat ik zou opnemen. Kevin heeft het me wat makkelijker gemaakt weer persoonlijk te durven zijn, denk ik. Echt goud die man.'

Op papier is het een merkwaardige keuze: producer Kevin Shirley. Hij maakte naam met stevige rockbands als Aerosmith en Silverchair, en Hiatt was uit zichzelf nooit bij hem uitgekomen, bekent hij. 'Vreemd genoeg belde hij mij. Hij bleek al jaren fan, had The Open Road gehoord en vertelde mijn manager: ik wil met John werken. Ik denk dat ik weet waar hij heen wil, en ik kan hem helpen.'

De 'zoektocht' van Hiatt is voor de twee nooit onderwerp van gesprek geweest. 'De klik was er meteen. Kevin werkt net als ik heel snel. In tien dagen hadden we negentien liedjes klaar. Acht nummers zijn er over, die gaan we volgend jaar opnemen - ik heb hem namelijk meteen weer geboekt. Ik denk dat het beste van mij nog moet komen.'

John Hiatt: Dirty Jeans And Mudslide Hymns. New West/Sonic Rendezvous.

Bring The Family is van alle twintig platen die John Hiatt in bijna veertig jaar uitbracht, zijn bekendste. Niet alleen vanwege de hit Have A Little Faith In Me, maar ook vanwege het prachtige spel op de slidegitaar van Ry Cooder in bijvoorbeeld Lipstick Sunset. Het liedje Thing Called Love werd door Bonnie Raitt gecoverd op haar succesvolle comeback-plaat Nick Of Time uit 1989. Het grootste mainstream succes voor Hiatt tot nu toe.

Hij maakte Bring The Family in 1987, na persoonlijk door diepe dalen te zijn gegaan. De band mocht hij zelf uitkiezen. Drummer Jim Keltner was destijds de meest gevraagde sessiemuzikant, bij Ry Cooder had Hiatt al eerder in de band gespeeld en Nick Lowe produceerde de (beste) helft van de elpee Riding With The King.

Nederland was vroeg met Hiatt

John Hiatt werd in 1979 vooral in Nederland opgepikt met zijn derde album Slug Line. Liedjes als Radio Girl, de titelsong en het door The Neville Brothers tot bescheiden hit gemaakte Washable Ink werden veel gedraaid op de radio. Hiatts krachtige wat verbeten stem riep vergelijkingen op met Elvis Costello en de hier in dezelfde tijd doorgebroken Joe Jackson.

Bepaald constant was het niveau van zijn platen niet. Diverse albums werden vergald door een verkeerde productie. Overtuigend klinken vooral Riding With The King (1983), Bring The Family (1987) en Slow Turning (1988).

De jaren negentig leverden artistiek wat minder op, maar Hiatt blijft daarna met Crossing Muddy Waters (2000) en Master Of Disaster (2005) goede platen afleveren.

Geen ervan bevat echter een liedje dat nog zo vaak te horen is als Have A Little Faith In Me van de plaat Bring The Family. Alleen begeleid door piano overtreft Hiatt zichzelf in zijn enige hit tot dusver.

undefined

Meer over