Verstandelijk gehandicapten in instituten houden vervoersvergoeding door rechterlijk vonnis Rita kan niet praten, maar wil dolgraag op stap

Ook verstandelijk gehandicapten die in een instituut wonen, hebben recht op betaalbaar vervoer, zo heeft de Haagse rechtbank deze week bepaald....

Van onze verslaggeefster

José Smits

DEN HAAG

Rita, 33 jaar, vindt het 'oergezellig' om op stap te gaan. Haar moeder komt haar vaak halen met de auto om naar het ouderlijk huis te gaan of naar de andere kinderen uit het gezin. Rita kan niet praten, maar wel lopen. 'Ze kan met begeleiding in de bus, maar dan wil ze er na vijf minuten weer uit. Dan krijg je stennis. Dus gaat ze met de auto en betaalt voor de kilometers.'

'Het is voorgekomen dat de directie of het bestuur van zo'n AWBZ-instelling zich in het verleden grote inspanning hebben getroost om voor al hun bewoners vervoerskostenvergoeding te verkrijgen. De praktijk wijst uit dat de bedrijfsvereniging dat wel eens heeft gehonoreerd', aldus J. Wallage twee jaar geleden in de Eerste Kamer.

Wallage had zijn suggestieve opmerking nodig, toen hij als staatssecretaris van Sociale Zaken het voorstel verdedigde om gehandicapten in instituten voortaan uit te sluiten van vervoer. Het werkte: kritische senatoren zwegen verder. Alle ooit 'illegaal' gegeven vervoersvergoedingen zouden worden ingetrokken. Het argument: bewoners van instituten zijn doorgaans niet in staat tot het leggen van sociale contacten. Wie geen sociale contacten legt, hoeft niet te reizen.

Tamara's vader: 'Onze dochter is van laag niveau, zoals ze zeggen. Mensen denken zo gauw dat gehandicapten niks ervaren. Ze kan niet praten, maar ze geeft wel aan wat ze wil. Ze wijst op haar ogen als ze ergens naar wil kijken. Als ze mensen mag, gaat ze knuffelen.'

Tamara (21 jaar) woont in zo'n instelling die Wallage op het oog had: het Westerhonk in Monster. Als Tamara op bezoek wil bij haar ouders, gebaart ze naar de groepsleiders: met haar wijsvingers maakt ze een dakje. Voor opa en oma heeft ze een apart gebaar en één voor haar oudere broer op wie ze gek is.

Haar vader stapte naar de rechtbank. Hij eiste dat zijn dochter haar reiskostenvergoeding van 625 gulden per jaar mag houden. Zodat ze haar bezoekjes aan het ouderlijk huis, haar broer, de camping of zo maar eens een ritje naar het strand in Kijkduin, zelf kan betalen. Ook Fred, Rita en 125 andere bewoners van het Westerhonk vroegen een uitspraak van de rechter.

Van de rechtbank mogen Tamara, Rita en Fred hun vervoersvergoeding houden. Volgens het vonnis heeft de regering willekeurig en zonder feitenonderzoek een grote groep verstandelijk gehandicapten uitgesloten van betaalbaar vervoer.

De rechter accepteert het argument dat een vervoersvergoeding alleen gegeven hoeft te worden, indien de gehandicapte in staat is tot het leggen van sociaal contact. Maar volgens het vonnis is het onverklaarbaar waarom de wetgever opeens categoraal inwoners van alle AWBZ-instellingen, op vier na, niet langer in staat achtte tot sociale activiteiten.

Fred is een man van 42 jaar met het syndroom van Down en verlamde benen. Freds zwager: 'Kun je voor een ander uitmaken wat de waarde is van sociale contacten? Fred heeft kennissen. Hij heeft een vriend die in Drenthe woont en die wil hij wel eens bezoeken. Hij komt bij ons regelmatig op bezoek. Met zijn rolstoel moet hij in een speciale auto die nogal duur is. Twee ritten per maand en zijn geld is al op.'

De rechter kon geen logische verklaring vinden voor de discriminerende wetsbepaling. Geen wonder, want de wetsgeschiedenis maakt geen melding van de besloten onderhandelingen waarin het omstreden voorstel tot stand kwam. Het was de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) die het kabinet ertoe aanzette.

De vervoersvergoedingen voor gehandicapten werden tot 1994 door bedrijfsverenigingen betaald uit een landelijke pot. De verantwoordelijkheid ging over naar gemeenten, onder wie de pot (na aftrek van een flinke korting op het budget) werd verdeeld. De VNG vreesde dat er een zware financiële last zou ontstaan voor de gemeenten met een AWBZ-instelling op hun grondgebied.

In onderhandelingen tussen het kabinet, de VNG en de toenmalige regeringsfracties PvdA en CDA werden de bewoners van vrijwel alle AWBZ-instellingen daarom uitgezonderd van de vervoersvoorziening. Natuurlijk, werd erkend, gingen ook gehandicapten in instituten wel eens op stap: in het weekeind naar de ouders. Maar, luidde de redenering: weekeindbezoek komt voor rekening van de gehandicapte zelf (die een wettelijke zakgeld heeft) of diens ouders.

Rita's moeder: en paar jaar terug hield ze over van haar zakgeld, nu niet meer.' Tamara's vader: 'Kleren, vakantie. het kijk- en luistergeld, de WA-verzekering. Ze was pas jarig en heeft een feest gegeven. Tamara is gek op muziek, dus heeft ze een cassetterecorder. Maar ze kan er niet zo voorzichtig mee omgaan. Ze is pas verhuisd van een slaapzaal naar een eigen kamer. Dat wil je inrichten. Ze heeft een eigen bed gekocht. '

Van de bewoners van vier grote instellingen, zoals Het Dorp in Arnhem, viel de redenering (niet in staat tot sociale contacten en alleen op bezoek bij ouders) niet vol te houden, net zo min als van de gezinsvervangende tehuizen. Dus de bewoners daarvan kwamen weer wèl in aanmerking voor vervoer.

De oppositiefracties in de Tweede Kamer hadden het niet in de gaten. Pas in de Eerste Kamer begonnen CDA- en VVD-leden te protesteren, gevolgd door D66 en GroenLinks. VVD'er Heijmans: 'Een verpleeghuis is toch geen gevangenis en wie daar woont is toch niet per definitie bedlegerig?'

Vorig jaar, toen de nieuwe wet was aangenomen, werd de kwestie in de Tweede Kamer opgerakeld door SGP-kamerlid Van den Berg. Toenmalig minister van WVC, d'Ancona, antwoordde opnieuw dat gehandicapten in instellingen hun zakgeld moeten aanspreken. D'Ancona: 'AWBZ-inrichtingen zijn al zo duur. Het is niet verstandig dat de bewoners van hun zakgeld vermogen opbouwen.'

Meer over