Verscholenvriendenclubs

Torenhoge vastgoedprijzen en steeds strengere regels deden de live jazz in New York bijna de das om. Maar aan de rand van de stad is een nieuwe scene ontstaan waar veel spannende muziek is te horen....

Je kunt er tientallen keren voorbij lopen zonder het in de gaten te hebben. De eigenaar van de pizzeria aan de overkant heeft er zelfs nog nooit van gehoord. Het enige herkenningspunt: een klein blauw lampje boven een oude deur. Op het trapje ervoor staat een onguur uitziende man. ‘Vijf dollar, vriend’, en hij trekt een dikke stapel bankbiljetten uit zijn zak. De portier. Later blijkt dat hij Sir Bato the Yugo wordt genoemd en iedere donderdag in de club speelt met zijn Electric Gypsy Balkan Extravaganza.

Nublu in de New Yorkse East Village is een typisch voorbeeld van een nieuw soort club dat in de hoofdstad van de jazz is ontstaan. Low profile, gerund door musici en hun vrienden, goedkoop en het belangrijkste: een creatieve hotspot. De stad was er hard aan toe, want op jazzgebied was New York steeds meer een museum geworden. Interessante nieuwe jazz komt voornamelijk uit Europa. Clubs als The Village Vanguard, Birdland en Blue Note zijn over de hele wereld bekend, er zijn legendarische platen opgenomen en nog steeds kun je er geweldige muzikanten horen spelen. Maar plekken waar ‘het gebeurt’ zijn het al lang niet meer.

Hoe gaat dat, een avondje Village Vanguard? Je stapt tegen negen of elf uur door de smalle deur onder de stoepbrede luifel aan Seventh Avenue South, daalt de schemerige trap af en betaalt dertig dollar aan de kassa. Daar is een biertje bij inbegrepen maar, staat uitdrukkelijk vermeld op de website, geen fooi. ‘Er wordt een of twee dollar per drankje verwacht.’ Eenmaal binnen blijkt de grootte van de zeventig jaar oude club omgekeerd evenredig aan zijn faam. Officieel zijn er 123 zitplaatsen, maar dat lijkt optimistisch. In de hele staat New York mag niet in horecagelegenheden gerookt worden, dus het enige wat je ruikt is een ietwat muffige geur van oud hout. Na een kwalitatief hoogwaardige set door musici als Joe Lovano, Don Byron, The Bad Plus, Fred Hersh en Tom Harrell sta je na een uurtje weer buiten. Want je betaalt voor één set. Bijbetalen mag, maar niet als de volgende is uitverkocht.

Het is fantastisch om zulke goede musici in een intieme setting te beluisteren. Een concert in The Village Vanguard is een belevenis. Maar verwacht geen bruisende sfeer, binnenvallende muzikanten die nog even meedoen of jamsessies tot in de kleine uurtjes. En echt vooruitstrevende muziek wordt er niet gemaakt. The Vanguard is geen hangout, het is business. Dat is normaal in deze stad, waar kunstsubsidie nauwelijks bestaat.

Zo’n beetje de enige jazzorganisatie die wel wordt ondersteund is Jazz at Lincoln Center, met als directeur de museaal ingestelde trompettist Wynton Marsalis. Een grote glazen wand geeft een prachtig uitzicht op Trump Tower, Columbus Circle en Central Park. Maar de naam van de pas geopende jazzclub in het Lincoln Center-gebouw zegt genoeg: Dizzy’s Club Coca Cola.

In Nublu kijk je ook uit op een park. De ramen aan de achterkant worden van buiten vrijwel volledig in beslag genomen door groene bomen, alsof je midden in de jungle zit. Het was een verrassend geschenk voor Ilhan Ersahin, de eigenaar van Nublu. ‘Toen we in dit pand kwamen was alles dichtgetimmerd, het was een grote ouwe troep.’

Deze maand viert Nublu zijn driejarige, succesvolle bestaan. Ersahin, een Zweedse saxofonist en toetsenist van Turkse afkomst die zich in New York heeft gevestigd, wilde een plek waar hij zijn muziek kon presenteren op een eigen manier. ‘In een losse, openminded sfeer. De bands spelen op gelijke hoogte als het publiek, staan er soms tussen.

De toegang is vijf dollar of gratis. De meeste mensen die hier spelen zijn vrienden en vrienden van vrienden. Rock-, pop-, jazz- en wereldmuzikanten lopen hier door elkaar.’

Dat is zeldzaam in New York, een stad waar scenes zich nogal gescheiden van elkaar bewegen. Zelfs binnen de jazz wordt er nauwelijks gemengd tussen bijvoorbeeld mainstream beboppers en vrije improvisatoren. Combinaties tussen jazz en dance zoals je die in Europa ziet, zijn er niet veel.

Een succesvolle groep die in Nublu is ontstaan is Brazilian Girls, geen echte jazzband maar wel een met een jazzgeest. Ook Ersahins dansbare jazzband Wax Poetic – waar Norah Jones nog in mee heeft gedaan voor ze wereldberoemd werd – doet het prima. Hardbop trompettist Eddie Henderson is geregeld in Nublu te horen. En iedere maandag leidt freejazz-veteraan Butch Morris het steeds veranderende Nublu Orchestra met zijn vrije dirigeertechniek conduction. Er komt een opvallend jong publiek op af, mede dankzij de loungy no-nonsense inrichting van de club.

Neem vanaf Manhattan metrolijn L naar Brooklyn, stap uit op de eerste halte aan de overkant van de East River en je komt terecht in een oase van rust. Vergeleken met Downtown is de wijk rond Bedford Avenue een dorp. Lage huizen, veel groen – alleen een taxichauffeur herinnert eraan dat we nog in New York zijn. ‘Suck my dick, motherfucker!’, roept hij tegen een automobilist die niet snel genoeg optrekt. Waarna hij een voetganger galant laat voorgaan. Voorbijgangers nemen de tijd om de weg te helpen vinden naar Whyte Avenue. De meesten hebben geen idee waar die ligt.

Het blijkt een straat te zijn met voornamelijk blinde muren en loodsen. Even voorbij een mysterieus huis dat letterlijk uitpuilt van de motoronderdelen, waar op de stoep een slaperige hond een tiental motoren bewaakt, is Zebulon Café Concert. Het is een ruime, gezellige kroeg die Europees aandoet. Voor de deur staat Guillaume Blestel een sigaretje te roken. Het is negen uur ’s avonds, het café is vrijwel leeg. Blestel is eigenaar van Zebulon, samen met Jef Soubiran. De twee Fransen hebben in Manhattan het succesvolle restaurant Casimir, een relaxte plek waar de bediening nog gewoon onthoudt wat je hebt gedronken en gegeten. Blestel en Soubiran zijn muziekliefhebbers en ze hebben veel musici als vrienden. Butch Morris is vaste klant bij Casimir.

‘Het wordt steeds moeilijker om live muziek te spelen in het centrum’, aldus Blestel. Manhattan is in rap tempo veranderd. Er zijn steeds meer luxe appartementen gekomen, de huurprijzen zijn in vijf jaar tijd meer dan verdubbeld. ‘Niet zo lang geleden waren er nog buurten waar het ’s nachts uitgestorven was. Het Meatpacking District bijvoorbeeld. Er waren geen lantarenpalen, het was pikdonker, geheimzinnig en spannend. Voor kunstenaars een ideale buurt om je gang te gaan. Nu is het daar hip en luxe.’ Aangescherpte milieu-eisen maken dat concerten op de meeste plaatsen onmogelijk zijn. ‘In Casimir hebben we het wel geprobeerd. Nog voor de muzikanten bij de eerste solo waren aanbeland, stond er al politie in de zaak. De buren hè? Als je drieduizend dollar per maand betaalt voor een klein appartement, dan wil je niet ook nog eens muzieklawaai horen. Dat begrijp ik wel.’

Zo komt het dat de alternatieve muziekscene zich steeds meer naar de randen van de stad verplaatst. Er is meer ruimte, mensen doen minder moeilijk en de huren zijn er nog te betalen. De clubs die in Manhattan achterblijven, hebben het zwaar. De gerenommeerde avant-garde club Tonic heeft onlangs ternauwernood een sluiting weten te voorkomen door honderdduizend dollar bij elkaar te schrapen met benefietconcerten en donaties. De huur van het pand in de Lower East Side was verdubbeld. Ook verzekeringen zijn een hoge kostenpost. De uitbaters van Tonic hebben tientallen duizenden dollars moeten uitgeven aan reparaties en renovaties van het pand. De eigenaar deed niks.

De in de jaren zeventig legendarische punk en new-wave club CBGB’s, die ook vooruitstrevende jazz programmeert, is in een rechtszaak verwikkeld omdat de commissie die het gebouw beheert de huur gelijk wil trekken met andere panden op de plotseling in trek geraakte Bowery. Het betekent een verhoging van negentienduizend naar veertigduizend dollar. Zelfs de verkoop van souvenirs als baby-T-shirts kan dat niet compenseren.

Andere voorbeelden: Fez, waar de Mingus Bigband iedere week optrad, is dicht en de Luna Lounge maakt na tien jaar plaats voor luxe appartementen.

Het is tien uur geworden, aanvangstijd voor de dagelijkse concerten in Zebulon. Op een onopvallende manier is de zaak totaal volgestroomd. Gerespecteerde openminded jazzmusici als Elliott Sharp, Drew Gress, Joey Baron en Marshall Allen spelen er geregeld. Drummer Kenny Wollesen, onder meer bekend van Sex Mob, heeft een vaste avond op dinsdag. Er is elke dag live muziek, de toegang is altijd gratis, de drank is relatief goedkoop. Aan het einde van de avond gaat een hoed rond voor de muzikanten.

Buiten neemt compagnon Jef Soubiran de rookpauze over van Blestel. ‘Dit pand hebben we zelf gekocht. Ernaast is niks, wij wonen er boven dus niemand klaagt. We hoeven geen winst te maken, als we maar kunnen leven. En je moet zorgen dat je het een beetje low profile houdt.’ Soubiran wijst op de diner aan de overkant van de straat. Het restaurant in jaren vijftig-stijl kan zo figureren in een schilderij van Edward Hopper.

Maar een naam op de voorgevel ontbreekt en het roze neonlicht dat langs het gebouw loopt, is bescheiden. ‘Dat doen ze expres. Opvallen is vragen om problemen. Dan komt de politie kijken, de brandweer of er niet te veel mensen binnen zitten en voor je het weet kun je sluiten. Reclame werkt tegenwoordig averechts. In dit soort buurten trekt het types aan die denken dat je winst maakt en die daar een deel van willen hebben.’ Soubiran is er een beetje vaag over, maar laat wel doorschemeren dat hij niet alleen Tony Soprano bedoelt, maar ook gemeenteambtenaren.

Zonder twijfel de meest onopvallende club van New York is The Stone. Het is een initiatief van saxofonist John Zorn, pater familias van de Downtown avant-garde scene. Het ligt vlak bij Nublu aan de rand van de East Village in een totaal verlopen hoekpand met roestige rolluiken voor de ramen. Golden Dragon Kitchen staat er nog op de gevel te lezen. Er hangt zelfs geen papiertje op de deur dat verraadt dat er binnen muziek te horen is. Het pand, dat in zijn vorige functie als Chinees restaurant zichtbare brandschade heeft opgelopen, is Spartaans ingericht. Er zijn een stuk of zestig klapstoeltjes, in de hoek staat een vleugel. Consumpties zijn er niet te krijgen. In de praktijk verschilt The Stone, die begin dit jaar is geopend, weinig van The Village Vanguard. Je betaalt per set (tien of vijftien dollar) en behalve de muziek is er niets te doen, het is geen ontmoetingsplek.

Maar naast de avontuurlijke programmering, die iedere maand wordt samengesteld door een andere muzikant, is de club in nog een opzicht uniek: al het geld dat aan de deur wordt betaald gaat rechtstreeks naar de muzikanten. Het pand is eigendom van een vriend van Zorn die boven de club woont – en die je ook af en toe heen en weer hoort lopen. Een bevriende aannemer heeft het opgeknapt, de vleugel is in bruikleen van een pianowinkel en een vrijwilliger ontvangt musici en publiek. De vaste lasten zullen worden gedragen door de verkoop van cd’s met opnamen uit de club, die tegen kostprijs worden geproduceerd en gedistribueerd.

Deze manier van werken, die drijft op het engagement van bevlogen mensen, wordt steeds gangbaarder in New York. De optimistische, onbaatzuchtige sfeer die er het gevolg van is, wordt omarmd door het publiek. Er is behoefte aan kleinschalig, low profile en een open vizier. Niet met alles hoeft meteen geld verdiend te worden. Het is een bijzondere instelling in een hardcore overlevingsstad, die wel eens de redding van de creatieve jazz in New York zou kunnen betekenen.

Meer over