Verrast door Buddy Miller en Josh T Pearson

De mooiste muziek komt vaak uit onverwachte hoek. Zo had ik niet gedacht nog eens gelijktijdig de loftrompet af te kunnen steken over twee Americana-platen die niet van Lucinda Williams of Gillian Welch zijn.

Er komen veel platen uit de laatste weken. Gelukkig ook veel goede. Tijd om lang bij meer of minder teleurstellende platen van R.E.M., Beady Eye of Elbow stil te staan is er eigenlijk niet. Er staan verrassingen van Nicolas Jaar, Jessica Lea Mayfield en het voor mij tot voor kort volslagen onbekende Demdike Stare tegenover. En dan zijn er nog van die platen die gewoon erg fijn zijn zijn zoals die van Gruff Rhys, The Go-Team en Happy Camper. Of gewoon steengoed zoals De Staat, de binnenkort te verschijnen nieuwe Alamo Race Track en Lykke Li. Of zelfs buitencategorie zoals Let England Shake van PJ Harvey.

En dan die reissues: Willie Wright, Doris Troy en die plaat met Fall originals.

Tja, dan blijft er wel eens iets onopgemerkt.

Dezer dagen ben ik zeer onder de indruk geraakt van twee platen die ergens op de stapel‘O ja, die hebben we ook nog. Maar nu even niet’ terecht kwamen.

Het zijn de nieuwe albums van Buddy Miller en Josh T. Pearson.

Buddy Miller ken ik als iemand die sinds een jaar of vijftien ineens overal opduikt in de Americana. Hij maakte onder meer platen met Emmylou Harris, met Steve Earle en met zijn vrouw Julie: het zou allemaal prachtig zijn las ik altijd maar ik vond zijn stem altijd net te gruizig en wat kunstmatig’.

Totdat hij aan Robert Plant werd gekoppeld. Tijdens de optredens en nu ook op Plants laatste plaat, die hij produceerde, viel het me op dat Miller misschien niet de stem voor mij heeft, maar wel prachtig gitaar kan spelen en wel weet hoe je een ensemble moet laten klinken.

Toch nam ik slechts zijdelings notie van zijn nieuwe plaat Buddy Miller’s The Majestic Silver Strings. Ergens had ik opgevangen dat op dit album vooral oude country-klassiekers zouden worden nagespeeld, daar had ik even geen zin in.

Niet gekeken naar de namen van de bandleden dus. Stom. Want in de Majestic Silver Strings zitten toch twee bijzondere gitaristen: Marc Ribot en Bill Frisell.

Toen ik dit vernam ben ik de plaat gaan draaien en zag ook de naam van dat andere snarenwonder Greg Leisz. En dan de gastvocalisten: Patty Griffin, Emmylou Harris en de dame die mij het meest betoverde: Lee Ann Womack.

Zij zingt het liedje waar ik maar geen genoeg van kan krijgen: Meds. Een wonderschoon, heel sober liedje geschreven door Marc Ribot. Nooit achter hem gezocht, zoals ik ook al verbijsterd was door de manier waarop hij zelf Barres de la Prison zingt.

Ook prachtig: Shawn Colvin die Lefty Frizzells That’s The Way Love Goes zingt. Al veel gedaan, maar dit is een van de betere versies.

Maar het is niet eens de zang die dit een plaat maakt waar ik maar niet op uitgeluisterd raak: het is het prachtige samenspel op gitaar. Het klinkt ook alsof de mannen het heel erg naar hun zin hadden tijdens de opnamesessies. Ik moest ook denken aan de oude platen van Ry Cooder, (niet die laatste ‘trilogie’ daar kan ik maar niet aan wennen. De boekjes vond ik steeds interessanter dan de muziek, maar dat terzijde).

Ook dit is zo’n plaat die je bijna zelf naar de gitaar doet grijpen. En dat terwijl er eigenlijk geen solo op te bespeuren is. Het is puur de klank van het samenspel en de afwisseling van de altijd diensbaar spelende stergitaristen.

O, wat zou ik dit gezelschap graag in Austin tijdens SXSW willen zien, ik zou er The Strokes zo voor laten schieten. Maar ik geloof niet dat ze er staan.

Wie er wel staat is Josh T. Pearson. Onder meer in een kerk.

Wie is Josh T. Pearson ook al weer? Ik was het vergeten, maar hij was ooit voorman van Lift To Experience. Dit trio uit Denton, Texas bracht in 2001 een plaat uit die in eigen land nooit verscheen maar in Europa uitkwam op het Bella Union label.

Ik herinner me laaiende recensies in de Britse muziekbladen toen, maar ik kan me niet herinneren de plaat zelf meer dan 1 keer gedraaid te hebben. Ik was Lift To Experience dan ook straal vergeten totdat ik iets minder dan een jaar geleden Simon Raymonde interviewde. De Volkskrant ging een boxje van Bella Union uitbrengen en Raymonde bleek bereid zich uitgebreid over zijn label te laten interviewen.

Lift To Experience was de eerste Amerikaanse band die hij tekende. Hij zag ze in 2000 tijdens SXSW in Austin en was zo onder de indruk dat hij niet anders kon. Het was echt een ‘life changing experience’ zo vertelde hij.

Ik had hun plaat The Texas Jerusalem Crossroads niet voor de box geselecteerd dus wilde er ook niet te lang bij stil blijven staan, maar ik nam me voor toch nog eens goed naar deze plaat te luisteren. Die Simon had oren aan zijn hoofd, dat had hij met Midlake, Beach House, Fleet Foxes en John Grant wel bewezen.

Nog altijd niet de moeite genomen door de plaat op te zoeken, want er is altijd wel weer wat anders. Zo gaat dat.

Wat er verder met Lift To Experience gebeurd was, heb ik Simon niet gevraagd.

Niks dus, zo blijkt nu. De band ging hoopvol op tournee door Europa toen de vader van de bassist plotseling overleed. Band terug, nog een sterfgeval, band uit elkaar. Zanger in crisis, zanger verliefd, zanger gebroken hart, zanger trekt zich terug als kluizenaar en zoekt heil in een kleine kerkgemeenschap in Texas.

En dan is er ineens een plaat Last Of The Country Gentlemen.

Die is een gevolg van contacten die hij in Europa gelegd heeft, toen hij daar met zijn in betere jaren met zijn echtgenote woonde. Hij leerde er de mannen van de Dirty Three kennen, en dit album is ook in Berlijn opgenomen. Helemaal duidelijk is de levensloop van Pearson mij niet, maar dat het tot een volkomen krankzinnige plaat heeft geleid, leidt geen twijfel.

Begeleid door gitaar of soms een krassende viool zingt Pearson liedjes die extreem desolaat en somber klinken. Ik las vergelijkingen met Neil Youngs On The Beach en Nick Caves The Boatman’s Call, maar die klinken als carnavalsmuziek vergeleken met de zeven (soms dertien minuten durende) stikken op Last Of The Country Gentlemen.

Liedjes kun je het nauwelijks noemen. Zoals je het latere Talk Talk werk, Starsailor van Tim Buckley en Scott Walkers Tilt en The Drift ook eigenlijk geen popmuziek kunt noemen.

Maar wat een fascinerende stem en muziek.

Volkomen compromisloos en authentiek. Even wennen, dat zeker, maar geduld wordt beloond. Er verschijnen genoeg platen waarover ik na een keer denk: ik vat het niet maar laat verder maar. Niet mijn kopje thee. Zo kan ik geloof ik best gelukkig oud worden zonder me ooit verder in Merzbow of Acid Mothers Temple te verdiepen.

Niet dat Pearsons trouwens iets met hen gemeen heeft, ik noem ze maar even als voorbeeld van muziek waar ik niks mee heb, al lees ik steeds dat dit wel zal moeten.

Nee, de muziek van Pearson is gewoon even wennen omdat hij niet van een eenvoudige melodie houdt en verder ieder effectbejag achterwege laat. Toch hoor je dat hij het meent.

Di is zo anders dan wat er voor singer/songwriter-liedjes doorgaat, en ook nog eens zo goed.

Ik kom er volgende week op terug, als ik Pearson in het echt gezien heb. Het goede nieuws is ook dat hij in april in NL te zien is, maar dat duurt me eigenlijk al te lang.

En laat je niet van de wijs brengen door de eerste indruk, want ja zo op de achtergrond denk je mogelijk: wat saai.

Zet ‘m in de iPod, koptelefoon op, en je bent echt even weg.

Buddy Miller en Josh T. Pearson hebben twee prachtplaten gemaakt. Zomaar, niet op gerekend. En dat zijn vaak de mooiste ontdekkingen.

Maar dat ik die aan de randen van de hedendaagse Americana zou vinden had ik niet verwacht. Dat belooft wat volgende week in Texas.

Meer over