Vernislaag van Dietrich barst een enkele keer

Het is toch nog goed gekomen tussen Berlijn en Marlene Dietrich. Op de tentoonstelling over honderd jaar film in het Martin-Gropius-Bau staat de koele vamp in het middelpunt....

Van onze verslaggeefster

Judith Koelemeijer

BERLIJN

'Lieve, kleine liefste, ik spring over mijn eigen schaduw, loop achter mezelf aan en probeer mezelf te vangen...'

Schrijft Fritz Lang in een telegram aan Marlene Dietrich, op 28 maart 1937. Het antwoord van Dietrich, ongedateerd en aan niemand in het bijzonder gericht, is niet minder duidelijk: 'Fritz Lang was een uitgesproken sadist. Hij haatte mijn toewijding aan Josef von Sternberg en probeerde zijn plaats in te nemen in mijn geest en lichaam.'

Het briefje is snel geschreven, met grote hanepoten. Eerst stond er 'lichaam en geest', maar Dietrich heeft deze woorden met grote kruisen doorgestreept. Erboven staat nu 'geest en lichaam'. Ook in haar privé-notities deed ze er blijkbaar alles aan haar puriteinse imago hoog te houden.

In het Berlijnse Martin-Gropius-Bau is nu de omvangrijke expositie Kino Movie Cinema te zien, een thematisch opgebouwd overzicht van honderd jaar film, van de eerste Lumière-filmpjes uit 1895 via Walt Disney en de Jazz Singer tot Michael Jackson. De nalatenschap van Marlene Dietrich, die de stad Berlijn twee jaar geleden voor vijf miljoen dollar kocht van haar dochter Maria Riva, vormt het middelpunt van deze groots opgezette uitstalling van rekwisieten, story-boards, films en foto's.

In een pronkerig, wit decor wordt de mythe Dietrich zorgvuldig in stand gehouden. We zien haar zoals men haar altijd heeft wièlen zien en daarom ook altijd zal zien: als de koele vamp met de oneindige benen die zong 'von Kopf bis Fuss auf Liebe eingestellt' te zijn, maar nooit op een privéleven te betrappen viel. De verleidelijke zangeres in Der blaue Engel, die op de piano gezeten haar benen over elkaar slaat. Het gezicht dat 'dood-gefotografeerd' was, zoals ze zelf zei. Tot ze niet meer op de foto wilde.

Slechts een enkele keer barst de Hollywood-vernislaag, valt er even niet meer tegenop te retoucheren. Dan ligt er dus zo'n hanepoten-briefje. Of hangt er een foto waarop Dietrich heel gewoon haar handen staat te wassen voor een legertent in Zuid-Italië.

De expositie van de Dietrich-collectie voert door een smalle gang, van de eerste balletschoentjes en dagboeken naar de akte van haar eerste en enige huwelijk (met Rudolf Sieber), de doopkaart van dochter Maria, een imposante schminck-koffer en het draaiboek van Der Blaue Engel, de film van Josef von Sternberg waarmee zij in 1929 in Duitsland doorbrak. In een vitrine zijn de rekwisieten uit haar Hollywood-periode uitgestald: kostuums, een pluchen bankje met de twee poppen die zij als mascotten overal met zich mee nam.

Niets, zelfs de Tweede Wereldoorlog niet, kan haar gezicht beïnvloeden. Het lacht je op foto's en films aan alle kanten hautain en volmaakt tegemoet, of ze nu optreedt voor de Amerikaanse troepen in een jurk met Europese vlaggen, of in het nationaal-socialistische tijdschrift Der Stürmer van 1937 wordt uitgemaakt voor landverraadster omdat ze zich door de 'filmjoden in Hollywood een Amerikaans paspoort heeft laten aanpraten'. Of - veel later - als zij in 1960 bij haar eerste optreden sinds 1930 in Berlijn wordt uitgejoeld door burgers die haar dat Amerikaanse paspoort nog steeds niet hebben vergeven, getuige een foto met het protestbord Dietrich go home.

'Was je maar gewoon een toneelspeelster, dan zou het eenvoudig zijn jouw schoonheid te begrijpen, maar jouw wortels liggen meer verborgen en dieper', schrijft de auteur Erich Maria Remarque haar, een van de vele vrienden en bekenden die met haar nazi-Duitsland waren ontvlucht.

Nergens een glimp van de bejaarde Dietrich in haar rolstoel. Geen citaat uit de vernietigende biografie die Maria Riva in 1993 publiceerde: 'Dat kón ze: de wereld maken zoals zij hem zag. En de wereld ging daar altijd mee akkoord.'

Waar het Hollywood-gezicht ophoudt, eindigt de expositie. De gang loopt uit op een telefoon: symbool van het teruggetrokken bestaan dat Dietrich de laatste twintig jaar van haar leven in Parijs leidde. Over de koptelefoon hoor je haar stem, een stem met de rimpels die nergens te zien zijn. In gebroken Duits ontwijkt ze vakkundig alle vragen van de Oostenrijkse acteur Maximilian Schell, die haar in 1983 uitvoerig interviewde. Ach Quatsch. Ze keuvelt wat over brieven schrijven en telefoneren, vertelt dat ze tegenwoordig zo'n interessante correspondentie heeft met een matroos. En eenzaam? 'Ach man, men is nooit eenzaam als men leest.'

Van Dietrich voert de expositie naar de Duitse geschiedenis. In een gang rondom het stralend witte Dietrich-decor plaatst tentoonstellingsmaker Hans Dieter Schaal de Exil-zoekers uit de jaren dertig en veertig tegenover de blijvers. Paul Kohner, Ernst Lubitsch, Curt Bois en Peter Lorre tegenover Leni Riefenstahl en Jud Süss, de nazi-propagandafilm. Kino Movie Cinema heeft vanaf hier het karakter van een montage: chronologie of uitvoerige uitleg ontbreken. Men moet zich, op grond van korte biografieën, foto's, tekeningen, brieven en affiches, zelf een beeld vormen.

Dit zappen door de geschiedenis werkt soms verwarrend: waar zijn we, welk net, welk programma, welke periode? Maar wie de tijd neemt de biografieën of brieven te lezen, kan op interessante passages stuiten. Zo ligt er onder het affiche van Leni Riefenstahls film Olympia uit 1936 een brief van haar aan Paul Kohner, een joodse emigrant die zich - met succes - als agent in Hollywood vestigde. In deze brief, gedateerd 11 september 1936, vraagt ze Kohner de distributie te behartigen van haar later zo omstreden, semi-fascistische weergave van de Olympische Spelen: 'Het wordt uiteraard geen reportage, maar een tijdloze, artistieke film, die een lofzang is op de schoonheid van het menselijk lichaam, en waarvan de dramatische elementen strijd en records zijn.'

Of Olympia ook werkelijk in Amerika is uitgebracht, wordt niet duidelijk, want dat is het nadeel van zappen: je passeert onvolledige brokken geschiedenis, die hun waarde vooral ontlenen aan de 'sfeer van de tijd', het veelzeggende détail. Zoals de brief uit Duitsland van Bertold Brecht aan de acteur Peter Lorre in Hollywood, 1950: 'Vergiss alles, und komm.'

Visueel ingesteld als we zijn, valt het niet moeilijk de sprong te maken van King Kong naar Der Mörder sind unter uns, de eerste film die in 1945 in het verwoeste Berlijn werd gedraaid. Maar de impressie blijft oppervlakkig, even willekeurig als een overzicht van 'honderd jaar film' bij voorbaat is. Of daar nu 24 zalen voor beschikbaar zijn of niet.

De 24 thema's - als The beauty and the beast, Stadsvisioenen en Licht en Schaduw - worden geïllustreerd met behulp van filmfragmenten, story-boards, foto's, camera's en kostuums. Van de zaal met de eerste camera's en filmpjes van de gebroeders Lumière voert de rondgang ondermeer langs een 'schatkamer' met bekende rekwisieten uit beroemde films; een zaal over 'film en geluid' met de piano uit Casablanca waaraan Dooley Wilson As time goes by zingt; een impressie van de films die de Berlijnse muur tot onderwerp hebben, en een chique belicht modehuis dat door Giorgio Armani is ingericht. 'Veel kostuums van Marlene Dietrich hadden net zo goed kostuums van Giorgio Armani kunnen zijn', constateert de ontwerper.

In een stad die gedomineerd wordt door bouwputten en hijskranen kan het niet toevallig zijn dat er relatief veel aandacht is voor architectuur. Uit de - onlangs ontdekte - foto's van filmregisseur Friedrich Wilhelm Murnau uit de jaren twintig en dertig blijkt de fascinatie voor het nieuwe perspectief dat de moderne metropool fotografen en filmmakers in die tijd biedt.

Een groot aantal scènetekeningen voor Fritz Langs Metropolis (1925/1926) laat zien hoe Erich Kettelhut zocht naar de juiste vorm van de utopische, alles verzwelgende stad die Lang wilde verbeelden; een stad die werd bedacht ter wille van de filmarchitectuur. Hij vond een bouwpakket-werkelijkheid met een filmische, sfeer-versterkende functie, zoals die al eerder in het kubistische, vervreemdende decor van Das Cabinet des Dr. Caligari gestalte had gekregen. In de eveneens tentoongestelde, schitterende tekeningen van Mentor Huebner voor Blade Runner kreeg die utopie een nieuwe vorm.

De expositie sluit af met een eerbetoon aan zeven 'samurai', die in de ogen van de tentoonstellingsmakers filmgeschiedenis geschreven hebben: Fassbinder, Godard, Coppola, Melville, Tarkovsky en Orson Welles. Een keuze die net zo sterk te verdedigen als te bekritiseren is, en bovendien nogal schril afsteekt bij de grand hommage die Dietrich ten deel valt.

De Collectie Dietrich zal permanent tentoongesteld worden in het nieuwe filmmuseum dat op de nog kale Potsdammerplatz moet komen - waarmee het toch nog goed gekomen is tussen Berlijn en Marlene Dietrich. Voor haar begrafenis, in mei 1992, was er zo weinig belangstelling dat de aangekondigde gala-party te harer herinnering op het laatste moment door het stadsbestuur moest worden afgelast. Nu drommen de bezoekers samen rond het gezicht waarvan Josef von Sternberg ooit zei: 'Marlene Dietrich is niets en was niets, maar ik heb met techniek en trucs een beeld van haar geschapen. En het is dat beeld dat jullie, ezels, aanbidden of het Marlene was.'

Kino Movie Cinema. Martin-Gropius-Bau, Stresemannstrasse 110, Berlijn. Dinsdag tot en met zondag, 10.00 tot 20.00. Tot en met 2 juli. Catalogus: Movie Kino Cinema, 24 Bilder einer Ausstellung, 49 mark.

Meer over